Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11-4278 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijtstand. Gelet op de bevindingen en hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd woonde appellant in de te beoordelen periode niet op het opgegeven adres. Appellant heeft geen duidelijkheid verschaft over zijn woonsituatie in de te beoordelen periode. Daardoor heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4278 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 juni 2011, 11/1139 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 28 februari 2012, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. In verband met zijn vertrek naar het buitenland is de bijstand per 9 augustus 2010 ingetrokken. Op 23 november 2010 heeft appellant zich gemeld om opnieuw bijstand aan te vragen. Bij de aanvraag heeft appellant opgegeven dat hij onveranderd woonachtig is op het adres [adres] in Nijmegen. Naar aanleiding van deze aanvraag hebben medewerkers van de afdeling Werk van de gemeente Nijmegen in december 2010 driemaal tevergeefs getracht een huisbezoek aan het opgegeven adres af te leggen. Zij hebben op 3 januari 2011 op kantoor met appellant een onderhoud gehad over zijn woonsituatie en diezelfde dag een huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres. Tevens hebben zij gesproken met een vriend van appellant. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in twee afzonderlijke rapporten van een klantmanager en een fraudepreventiemedewerker.

1.2. Bij besluit van 5 januari 2011, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 28 februari 2011 (bestreden besluit), heeft het college afwijzend beslist op de bijstandaanvraag van appellant. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet woont op het opgegeven adres en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Appellant voert aan dat hij in, en zelfs ook vóór, de bezwaarfase, alle benodigde informatie heeft verstrekt op basis waarvan het college het recht op bijstand kon vaststellen. Hij kon zonder geld destijds niet verblijven in zijn woning en moest daarom uitwijken naar zijn vriendin. Door het ontbreken van financiële middelen kon hij niet wonen op het adres [adres]. Dit was normaal gesproken zijn woonadres en ook het adres waarop hij volgens de gemeentelijke basisadministratie woonachtig was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van de melding om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 23 november 2010 tot en met 5 januari 2011.

4.2. De vraag waar iemand woont dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand. In de aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.3. Bij de bijstandaanvraag heeft appellant het adres [adres] in Nijmegen als zijn verblijfadres opgegeven. Tijdens het onderhoud op 3 januari 2011 heeft appellant verklaard dat hij de afgelopen maand vier á vijf keer thuis is geweest om te slapen en dat hij eigenlijk altijd, zo’n drie tot vier keer maar ook wel eens meer, slaapt en eet bij een vriend. Deze vriend heeft bevestigd dat appellant vaker bij hem is dan dat hij thuis is. Bij het huisbezoek die dag zijn in de woning van appellant, behoudens twee herenjassen, geen kledingstukken aangetroffen en evenmin schoenen. De koelkast en de vrieskast waren met uitzondering van vier flessen frisdrank geheel leeg en elders in de woning zijn ook verder geen levensmiddelen aangetroffen. In de keukenkastjes waren geen bestek, serviesgoed en pannen aanwezig. In de woning is evenmin enigerlei administratie aangetroffen.

4.4. Gelet op deze bevindingen en hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd woonde appellant in de te beoordelen periode niet op het opgegeven adres. Anders dan appellant stelt, heeft hij vóór en tijdens de bezwaarschriftprocedure geen duidelijkheid verstrekt over waar hij in de beoordelingsperiode feitelijk heeft verbleven. Tijdens de hoorzitting op 17 februari 2011 heeft appellant verklaard dat hij noodgedwongen heeft moeten uitwijken naar, niet nader genoemde, vrienden, terwijl in hoger beroep wordt aangevoerd dat hij was uitgeweken naar zijn vriendin. Tijdens het onderhoud op 3 januari 2011 heeft appellant weliswaar een naam van een vriendin genoemd, maar nadrukkelijk aangegeven dat dit niet zijn vriendin is en dat hij niet op de hoogte was van haar adres. Appellant heeft derhalve geen duidelijkheid verschaft over zijn woonsituatie in de te beoordelen periode. Daardoor heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld of appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD