Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
10-4104 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijstand buiten behandeling gesteld. Het verstrekken van een kopie van een geldig legitimatiebewijs is noodzakelijk om inzicht te krijgen in de actuele situatie van appellant, zodat het college hier bij de aanvraag om bijstand op goede gronden om heeft verzocht. Het college is zonder een steekhoudende motivering afgeweken van het gemeentelijk beleid dat een termijn van twintig werkdagen biedt voor het overleggen van gegevens waarbij men van een derde afhankelijk is, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit afwijken rechtvaardigen. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging bestreden besluit. Het college krijgt de opdracht opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/140
JWWB 2012/76
ABkort 2012/143

Uitspraak

10/4104 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 juni 2010, 10/16 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.A.M. Rademaker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Namens appellant is verschenen mr. Rademaker. Het college heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 6 juli 2009 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) ingediend. Bij het indienen van zijn aanvraag beschikte appellant niet over een geldig legitimatiebewijs en heeft hij een proces-verbaal van 15 juni 2009 van vermissing van zijn legitimatiebewijs overgelegd.

1.2. Bij brief van 30 juli 2009 heeft het college appellant verzocht om de voor de behandeling van de aanvraag nog ontbrekende gegevens vóór 10 augustus 2009 in te leveren. Appellant dient zich bij het inleveren van deze gegevens tevens te identificeren met een geldig legitimatiebewijs. Op 12 augustus 2009 heeft appellant de gevraagde gegevens ingeleverd. Appellant heeft zich daarbij niet met een geldig legitimatiebewijs geïdentificeerd. Bij brief van 25 augustus 2009 heeft het college appellant medegedeeld dat is besloten de afhandeling van zijn aanvraag op te schorten, omdat het recht op bijstand nog niet kan worden vastgesteld. Daarbij is appellant tevens uitgenodigd voor een gesprek op 9 september 2009 waar hij een kopie van zijn nieuwe legitimatiebewijs dient mee te nemen. Verder heeft het college appellant er bij deze brief op gewezen dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen als hij de gevraagde gegevens niet inlevert of zonder bericht van verhindering niet verschijnt op het gesprek van 9 september 2009. Appellant heeft op 8 en 9 september 2009 telefonisch contact opgenomen met het college en medegedeeld dat hij vanwege ziekte niet zal verschijnen op het gesprek van

9 september 2009. Tevens heeft appellant te kennen gegeven dat hij nog geen mogelijkheid heeft gehad om een nieuw legitimatiebewijs aan te vragen.

1.3. Bij besluit van 16 september 2009 heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 7 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 september 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant niet binnen de gegeven hersteltermijn een kopie van zijn nieuwe legitimatiebewijs heeft overgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Ingevolge artikel 17, derde lid, van de WWB stelt het college bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1 tot en met 3, van de Wet op de identificatieplicht. Het vierde lid bepaalt dat een ieder verplicht is aan het college desgevraagd een document als bedoelt in artikel 1 van deze wet op de identificatieplicht te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

4.3. Het verstrekken van een kopie van een geldig legitimatiebewijs is noodzakelijk om inzicht te krijgen in de actuele situatie van appellant, zodat het college hier bij de aanvraag om bijstand op goede gronden om heeft verzocht. Dat in de brief van

30 juli 2009 niet is gevraagd om een kopie van het (nieuwe) legitimatiebewijs in te leveren biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant, zoals hij stelt, reeds op 6 juli 2009 een kopie van zijn geldige maar vermiste legitimatiebewijs heeft overgelegd. Ook overigens zou een kopie van het vermiste legitimatiebewijs geen inzicht verschaffen in de actuele situatie van appellant.

4.4. Appellant heeft tevens aangevoerd dat hem geen redelijke termijn is gegund voor het overleggen van een kopie van zijn nieuwe legitimatiebewijs nu het gemeentelijk beleid een termijn van twintig werkdagen biedt voor het overleggen van gegevens waarbij men van een derde afhankelijk is. Ter zitting van de rechtbank heeft de gemachtigde van het college desgevraagd bevestigd dat hiervoor in het algemeen een termijn van twintig werkdagen wordt geboden. Niet in geschil is dat in het geval van appellant feitelijk een termijn van twaalf werkdagen is gegeven. Het college is zonder een steekhoudende motivering afgeweken van het ter zake te volgen beleid, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit afwijken rechtvaardigen. Dat aan appellant vanaf 6 juli 2009 voorschotten zijn verleend voor de aanschaf van een nieuw legitimatiebewijs, zodat hij in staat is gesteld een nieuw legitimatiebewijs aan te schaffen is daartoe onvoldoende. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit om die reden wegens strijd met artikel 4:5 van de Awb geen stand kan houden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.5. Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Aangezien het college dient te beoordelen of, en zo ja, in welke mate, appellant in de periode van 6 juli 2009 tot de datum van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar (onafgebroken) recht heeft op bijstand bestaat in dit geval bestaat aanleiding het college op te dragen opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 september 2009.

5. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 874,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 december 2009;

- bepaalt dat het college een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen het

besluit van 16 september 2009;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.748,--,

te betalen aan griffier van de Raad;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van € 152,-- vergoedt

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD