Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11-1915 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen sprake van een nieuw feit of nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1915 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (verzoeker),

van de uitspraak van de Raad van 7 september 2010, 09/3057 WWB

in het geding tussen:

verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 september 2010, 09/3057 WWB, LJN BN6112.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.J. Olthof.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

1.2. Bij de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, heeft de Raad - oordelend op het hoger beroep van verzoeker - de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 mei 2009 bevestigd en tevens het verzoek om vergoeding van schade afgewezen. De Raad heeft daarbij overwogen dat voor het college geen andere weg openstond om de bijstand van appellant met ingang van 1 februari 2008 in te trekken, gelet op de omstandigheid dat verzoeker daartoe uitdrukkelijk heeft verzocht omdat hij van opvatting was onveranderd aanspraak te hebben op een dienstverband ingevolge de Wet inschakeling werkzoekende (WIW) en inkomen daaruit en dat hij in zijn verzoek heeft volhard ook nadat hem meermalen door het college is gewezen op de gevolgen daarvan. Daarbij heeft de Raad overwogen dat het primaire besluit van 31 maart 2008 uitsluitend betrekking heeft op het verzoek om intrekking van de bijstand en dat de eventuele aanspraken van verzoeker op grond van de WIW of daarmee vergelijkbare wettelijke regelingen vanaf 21 augustus 2001 niet aan de orde zijn.

2. Aan het verzoek om herziening heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat zijn dienstverband met het college per 21 augustus 2001 niet is beëindigd en dat de Raad zijn verzoek om vergoeding van schade ten bedrage van € 50.000,-- per jaar vanaf augustus 2001 ongemotiveerd heeft afgewezen. Ter zitting van de Raad heeft verzoeker aangevoerd dat aan hem vanaf augustus 2001 geen bijstand is toegekend en dat geen sprake was van een dienstverband ingevolge de WIW, maar van een arbeidscontract.

3.1. De Raad is van oordeel dat de opvatting van verzoeker dat aan hem vanaf augustus 2001 geen bijstand is toegekend, dat het college het arbeidscontract met verzoeker in augustus 2001 niet heeft beëindigd en dat hij recht heeft op schadevergoeding niet is aan te merken als een nieuw feit of nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Voor zover verzoeker beoogt een hernieuwde discussie te voeren over de betrokken zaak of een discussie over de juistheid van de uitspraak wordt opgemerkt dat, zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 13 januari 2005, LJN AS3516, het bijzondere rechtsmiddel van herziening daartoe niet is gegeven.

3.2. Uit vorenstaande overweging volgt dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD