Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11-4415 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand. Verlaging bijstand voor de duur van één maand met 100%. Appellant heeft door zijn handelwijze een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van zijn bestaan getoond. Niet gezegd kan worden dat bij appellant ter zake van het niet ingaan op het aangeboden contract elke verwijtbaarheid ontbreekt, zodat het college was gehouden de bijstand van appellant te verlagen. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die het college aanleiding hadden moeten geven om de hoogte van de maatregel lager vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4415 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 juni 2011, 11/2144 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. van Bremen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 28 februari 2012, waar partijen, het college met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant heeft op 15 juli 2009 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 25 november 2009 heeft het college aan appellant met ingang van 15 juli 2009 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande en de bijstand met ingang van die datum voor de duur van één maand verlaagd met 100%. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant in de periode voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond voor het eigen levensonderhoud, omdat hij zonder opgaaf van reden is weggebleven bij zijn werkgever, zodat hij een aangeboden functie waarmee hij zelfstandig in zijn levensonderhoud had kunnen voorzien heeft verspeeld.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 14 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 november 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij door zijn werkgever zou worden opgeroepen zodra een geschikte functie beschikbaar was. Deze oproep heeft echter niet plaatsgevonden, zodat geen sprake is van het niet accepteren van een aangeboden functie. Voorts dient het percentage van de maatregel op grond van artikel 2, derde lid, van de Maatregelverordening inkomstenvoorzieningen van de gemeente ’s-Gravenhage (Maatregelverordening) lager te worden vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant is tot eind december 2008 op basis van een leercontract in dienst geweest bij [naam B.V.] als aspirant beveiligingsbeambte. Dit contract werd niet verlengd, omdat appellant niet op tijd in het bezit was van het vereiste diploma, zodat zijn beveiligingspas verliep. Een e-mailbericht van [B.V.] van 13 oktober 2009 vermeldt dat zij appellant om deze reden een andere functie binnen het bedrijf hebben aangeboden, zodat hij het vereiste diploma alsnog kon trachten te behalen. Echter, appellant is hier niet op ingegaan en [B.V.] heeft na 30 november 2008 niets meer van appellant vernomen. Tevens lukte het [B.V.] niet om met appellant in contact te komen en appellant zelf heeft ook geen contact opgenomen. Appellant heeft in reactie hierop op 16 oktober 2009 tegenover een medewerker van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente ’s-Gravenhage verklaard dat aan hem vanaf 30 november 2008 een contract voor zes maanden is aangeboden om hem alsnog in de gelegenheid te stellen zijn opleiding af te ronden en dat hij zou worden opgeroepen als er iets voor hem beschikbaar was.

4.2. Gelet op de verklaring die appellant op 16 oktober 2009 heeft afgelegd en de daarmee overeenkomende opgave van [B.V.] die is neergelegd in het e-mailbericht van 13 oktober 2009, heeft appellant een contract aangeboden gekregen van [B.V.] vanaf 30 november 2008 om hem alsnog in de gelegenheid te stellen zijn opleiding af te ronden. Aangezien geen contract tot stand is gekomen, is appellant kennelijk niet op dit aanbod ingegaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in afwachting was van een oproep van [B.V.]. Voorts heeft hij kennelijk zelf geen contact met het bedrijf opgenomen, hetgeen gelet op het werkaanbod van het bedrijf in de rede had gelegen. Door deze handelwijze heeft appellant een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van zijn bestaan getoond. Niet gezegd kan worden dat bij appellant ter zake van het niet ingaan op het aangeboden contract elke verwijtbaarheid ontbreekt, zodat het college ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 10, eerste lid, van de Maatregelverordening was gehouden de bijstand van appellant te verlagen.

4.3. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Maatregelverordening wordt in het geval de belanghebbende voorafgaand of tijdens de uitkeringsverstrekking tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, afhankelijk van de omstandigheden, een maatregel opgelegd van maximaal de tweede categorie, inhoudende een verlaging van de uitkering met 100% voor de duur van één maand. Voor de hoogte van deze maatregel heeft het college aansluiting gezocht bij de maatregel van - kort gezegd - 100% gedurende een maand die wordt opgelegd bij het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid en het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die het college aanleiding hadden moeten geven om de hoogte van de maatregel lager vast te stellen.

4.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD