Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1349

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
10/2818 WWB + 10/2820 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand is niet vast te stellen. Het college heeft in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat de voertuigen die minder dan drie maanden op naam van appellanten stonden, bestemd waren voor de handel. Appellanten zijn er niet in geslaagd om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de in geding zijnde periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/2818 WWB

10/2820 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2010, 09/1551 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J. Hüsen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hüsen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A. Bouter.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen sinds 1 december 1996 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van gehuwden.

1.2. Bij een viertal besluiten van 13 november 2008 heeft het college de bijstand van appellanten ingetrokken over diverse perioden gelegen tussen 1 september 1999 en 31 juli 2008. De over deze perioden gemaakte kosten van bijstand zijn tot een bedrag van € 33.710,35 van appellanten teruggevorderd. Het college heeft aan deze besluiten ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting niet of niet voldoende zijn nagekomen nu uit onderzoek is gebleken dat zij inkomsten/middelen uit handel met voertuigen hebben verzwegen.

1.3. Bij besluit van 6 april 2009 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 13 november 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten in de maanden waarin registratiebeëindigingen hebben plaatsgevonden van auto’s die drie maanden of korter op hun naam hebben gestaan de inlichtingverplichting hebben geschonden. Als gevolg daarvan kan, in aanmerking genomen dat appellanten van deze transacties geen administratie of boekhouding hebben bijgehouden, het recht op bijstand over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover dit is gericht tegen de intrekking en terugvordering over de maand januari 2004, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het college opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft aangenomen dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden en dat het college in redelijkheid de bijstand heeft kunnen intrekken en terugvorderen over de perioden waarin een transactie heeft plaatsgevonden met een voertuig dat drie maanden of korter op naam van appellanten geregistreerd heeft gestaan.

3.1. Appellanten hebben zich tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. Samengevat betogen zij primair dat zij niet in auto’s hebben gehandeld. Appellanten stellen dat zij oude auto’s kochten die zij slechts korte tijd gebruikten en dat zij de auto’s doorverkochten wanneer zij “op” waren. Appellanten stellen dat er nauwelijks overlap is geweest in de tenaamstelling van verschillende auto’s en dat zij de auto’s ook telkens verzekerd hebben. Subsidiair stellen appellanten dat de periode van drie maanden door het college niet is gemotiveerd en dat wanneer het college een periode wil vaststellen waarin het vermoeden van autohandel bestaat, een periode van één maand veel meer voor de hand zou liggen.

3.2. Het college heeft in de aangevallen uitspraak berust en, hangende het hoger beroep, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak op 23 juni 2010 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Daarbij is de intrekking van de bijstand gehandhaafd met uitzondering van de intrekking over januari 2004, en is het bedrag van de terugvordering dienovereenkomstig naar beneden bijgesteld naar het bedrag van € 9.305,27. Nu met dit besluit slechts ten dele tegemoet wordt gekomen aan het beroep van appellanten, zal de Raad dit besluit met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de beoordeling betrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellanten hebben in de periode van 1999 tot en met 2008 een groot aantal auto’s op hun naam geregistreerd gehad. Het grote aantal registraties, de doorgaans betrekkelijk korte duur van de tenaamstelling, het feit dat meerdere auto’s na beëindiging van de tenaamstelling zijn geëxporteerd en het feit dat er in een drietal gevallen sprake was van een overlap in de perioden van de tenaamstelling, rechtvaardigt in dit geval de vooronderstelling van het college dat appellanten hebben gehandeld in auto’s en uit de transacties inkomsten hebben ontvangen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat alle voertuigen die op hun naam geregistreerd hebben gestaan, louter voor privédoeleinden zijn gebruikt. De stelling van appellanten dat wanneer het college een periode zou willen vaststellen waarin het vermoeden van autohandel bestaat, een periode van maximaal één maand veel meer voor de hand zou liggen dan een periode van drie maanden, treft evenmin doel. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden van deze zaak heeft het college in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat de voertuigen die minder dan drie maanden op naam van appellanten stonden, bestemd waren voor de handel.

4.2. Appellanten hebben van het bezit van de auto’s en van de transacties geen mededeling gedaan aan het college. Daarmee hebben zij in de transactiemaanden de op hen ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dat het, naar appellanten hebben gesteld, ging om ‘afdankertjes’ die slechts kort werden gebruikt en wanneer zij op waren werden doorverkocht, neemt niet weg dat deze transacties van invloed konden zijn op de bijstandsverlening en moesten worden gemeld.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan betrokkene om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Appellanten zijn hierin niet geslaagd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellanten geen gevolg hebben gegeven aan de herhaalde verzoeken van het college om met betrekking tot de verkoop en de waarde van de voertuigen nadere bewijsstukken en informatie te overleggen. Het college heeft daarom terecht geconcludeerd dat het recht van appellanten op (aanvullende) bijstand over de transactiemaanden niet is vast te stellen.

4.4. Uit het voorgaande volgt dat het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand van appellanten over de maanden waarin een transactie van een auto die minder dan drie maanden op naam stond geregistreerd, heeft plaatsgevonden. Het college was tevens bevoegd om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over die maanden over te gaan. Tegen de wijze van gebruikmaking van deze bevoegdheden zijn geen zelfstandige beroepsgronden gericht.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

4.6. Appellant heeft tegen het besluit van 23 juni 2010 geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht. Het beroep tegen dat besluit zal ongegrond worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

RB