Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1277

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11-3187 WIJ-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing verzoek om een werkleeraanbod en een inkomensvoorziening. Aangenomen moet worden dat het college niet bekend was dat appellante niet meer als student stond ingeschreven ten tijde van het nemen van het primaire besluit. Uit de verplichting tot volledige heroverweging van het primaire besluit vloeit evenwel voort dat nu bij het college bekend was dat appellante vanaf 1 september 2010 niet meer studeerde en dus ook geen studiefinanciering meer ontving, het college die omstandigheid had moeten meenemen bij het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het vaststellen van een werkleeraanbod is door het tijdsverloop en omdat inmiddels is beslist op een nieuwe aanvraag niet meer aan de orde. Het college zich zal dienen te beraden over de vraag of er beletselen bestaan om appellante een inkomensvoorziening vanaf 1 september 2010 toe te kennen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11, geldigheid: 2012-04-10
Wet investeren in jongeren 14, geldigheid: 2012-04-10
Wet investeren in jongeren 23, geldigheid: 2012-04-10
Wet investeren in jongeren 24, geldigheid: 2012-04-10
Wet investeren in jongeren 24, geldigheid: 2012-04-10
Wet investeren in jongeren 25, geldigheid: 2012-04-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/124

Uitspraak

11/3187 WIJ­T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2011, 11/115 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 28 februari 2012. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1983, heeft op 24 juni 2010 een aanvraag ingediend om een werkleeraanbod op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ). Zij stond op dat moment ingeschreven als voltijds studerende aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en bevond zich in de afrondende fase van haar masterstudie fiscaal recht.

1.2. In overleg met appellante is een werkleeraanbod opgesteld. Bij besluit van 3 september 2010 heeft het college het verzoek om een werkleeraanbod afgewezen op de grond dat appellante uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt. Verder is besloten dat appellante niet in aanmerking komt voor een inkomensvoorziening op de grond dat zij een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, namelijk een lening op grond van de Wet studiefinanciering 2000.

1.3. Appellante heeft zich per 1 september 2010 niet opnieuw als student laten inschrijven. Zij is per 6 september 2010 gaan werken op een onbetaalde werkervaringsplaats bij de Belastingdienst.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 29 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2010 ongegrond verklaard. Overwogen is dat appellante tot 1 september 2010 als voltijdstudent stond ingeschreven en dat zij over de periode vanaf 1 september 2010 een nieuwe aanvraag kan indienen.

1.5. Bij besluit van 3 december 2010 heeft het college aan appellante bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand toegekend tot een bedrag van € 1.500,-- om te kunnen voorzien in de noodzakelijke bestaanskosten over de maanden juli en augustus 2010. Daartoe is overwogen dat het college niet tijdig had onderkend dat appellante niet voor een werkleeraanbod en ook niet voor een inkomensvoorziening in aanmerking kon komen, omdat zij tot 1 september 2010 nog als voltijdstudent stond ingeschreven. Verder is aan haar naar aanleiding van een nieuwe aanvraag vanaf 18 november 2010 een inkomensvoorziening op grond van de WIJ toegekend.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak. Zij verlangt een inkomensvoorziening vanaf 1 september 2010, omdat zij vanaf die datum niet meer als student stond ingeschreven, zodat het bestreden besluit vanaf die datum onjuist is. Verder heeft het college volgens haar het vertrouwen gewekt dat haar een inkomensvoorziening zou worden toegekend, omdat al een werkleeraanbod was opgesteld. Appellante verzoekt voorts om vergoeding van renteschade.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de WIJ stelt het college het recht op een werkleeraanbod op aanvraag vast.

4.1.2. In artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de WIJ is bepaald dat de jongere die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt, geen recht heeft op een werkleeraanbod.

4.1.3. Artikel 24, eerste en tweede lid, van de WIJ luidt als volgt:

1. De jongere van 18 jaar of ouder, die een aanvraag als bedoeld in artikel 14 heeft ingediend, heeft recht op een inkomensvoorziening indien:

a. er geen in aanmerking te nemen vermogen is, en

b. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm.

2. De inkomensvoorziening wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, te rekenen vanaf de datum van de aanvraag, bedoeld in artikel 14.

4.1.4. In artikel 25, eerste lid, van de WIJ is bepaald dat het college het recht op een inkomensvoorziening ambtshalve vaststelt gelijktijdig met de vaststelling van het recht op een werkleeraanbod.

4.2.1. In aanmerking genomen de hiervoor weergegeven bepalingen, in onderling verband bezien, betreft de door de bestuursrechter ten aanzien van het recht op een werkleeraanbod en het recht op een inkomensvoorziening te beoordelen periode in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag om een werkleeraanbod tot en met de datum van het besluit op die aanvraag en het daarbij behorende besluit omtrent de inkomensvoorziening. Aangezien appellante het hoger beroep heeft beperkt tot de periode vanaf 1 september 2010, is hier aan de orde de periode van 1 september 2010 tot en met 3 september 2010.

4.2.2. Het college heeft aangevoerd dat het hem ten tijde van het nemen van het afwijzende besluit van 3 september 2010 niet bekend was dat appellante niet meer als student stond ingeschreven, zodat met die omstandigheid geen rekening kon worden gehouden. Aangenomen moet worden dat het college hiermee inderdaad niet bekend was, nu appellante in haar aanvraag om een werkleeraanbod vermeld had dat zij tot vermoedelijk december 2010 zou studeren, en appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vóór het nemen van het besluit van 3 september 2010 aan het college had meegedeeld dat zij haar plannen had gewijzigd. Uit de in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen verplichting tot volledige heroverweging van het besluit van 3 september 2010 vloeit evenwel voort dat op een bezwaar moet worden beslist met inachtneming van alle ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar van belang zijnde feiten en omstandigheden. Dat betekent onder meer dat die heroverweging dient te geschieden op grond van alle relevante op de zaak betrekking hebbende stukken die op dat moment in het bezit zijn van het bestuursorgaan voor zover deze betrekking hebben op de periode in geding. Het gaat hier om vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 17 januari 2006, AV0137).

4.2.3. Dit betekent dat nu bij het college bekend was dat appellante vanaf 1 september 2010 niet meer studeerde en dus ook geen studiefinanciering meer ontving, het college die omstandigheid had moeten meenemen bij het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 29 november 2010 gegrond verklaren en dat besluit, voor zover het ziet op de periode vanaf 1 september 2010, vernietigen wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb.

4.3. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, voor zover deze ziet op de periode vanaf 1 september 2010. Met het oog op het nieuw te nemen besluit wordt het volgende opgemerkt.

4.3.1. Het vaststellen van een werkleeraanbod is door het tijdsverloop en omdat inmiddels is beslist op een nieuwe aanvraag niet meer aan de orde. Dit betekent dat het college zich zal dienen te beraden over de vraag of er beletselen bestaan om appellante een inkomensvoorziening vanaf 1 september 2010 toe te kennen. Voor het geval het college tot de conclusie komt dat appellante vanaf 1 september 2010 recht heeft op een inkomensvoorziening, zal het college voorts moeten bezien of grond bestaat voor verlaging van het bedrag van de inkomensvoorziening met toepassing van artikel 41 van de WIJ. Daarbij is van belang dat appellante in strijd met het bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de WIJ ten onrechte niet direct melding heeft gemaakt van het feit dat zij vanaf 1 september 2010 niet meer als student stond ingeschreven en daarom geen recht meer had op studiefinanciering. Het college zal tevens dienen te beoordelen in hoeverre het daadwerkelijk door dit verzuim is benadeeld, nu appellante al op 6 september 2010 op eigen initiatief is gaan werken op een werkervaringsplaats. Verder zal het college zich dienen te beraden over het verzoek van appellante om vergoeding van renteschade.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

draagt het college op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 29 november 2010 te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD