Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11-3394 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeterugvordering. Gezamenlijke huishouding. De Raad heeft in de uitspraak LJN BQ6310, ten aanzien van de intrekking van de aan [K.] verleende bijstand geoordeeld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Eveneens is de terugvordering van [K.] in stand gelaten. Ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden om de aan [K.] verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. Het college heeft in overeenstemming met het beleid besloten tot volledige medeterugvordering van appellant. Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van de beleidsregels had moeten afwijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/3394 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 juni 2011, 09/2419 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 28 februari 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden

1.1. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het college de gemaakte kosten van de ten onrechte over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 30 april 2008 aan [K.] ([K.]) uitbetaalde bijstand tot een bedrag van € 10.120,70 mede van appellant teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 12 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 23 september 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij ontkent dat in de periode in geding sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding en dat [K.] de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Subsidiair heeft appellant gesteld dat er bij afweging van alle belangen reden is om van terugvordering af te zien. In dat kader heeft hij aangevoerd dat [K.] niet meer bijstand heeft ontvangen dan het bedrag dat zij zou hebben gekregen wanneer zij met appellant samen een uitkering zou hebben aangevraagd. Voorts heeft appellant ten tijde hier van belang geen aanspraak op een uitkering gemaakt en geen inkomsten gehad. Ook voor [K.] is het van groot belang wanneer van terugvordering zou worden afgezien, aangezien zij nog altijd geen inkomen heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover hier van belang, kunnen, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden. Op grond van artikel 59, derde lid, van de WWB, voor zover hier van belang, zijn de in het tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

4.2. In zijn uitspraak van 17 mei 2011, LJN BQ6310, heeft de Raad, ten aanzien van de intrekking van de aan [K.] over de periode van 1 augustus 2007 tot 27 mei 2008 verleende bijstand geoordeeld (rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.4) dat appellant en [K.] gedurende die periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarvan had [K.] geen mededeling gedaan aan het college. In hetgeen appellant in onderhavig geding heeft aangevoerd omtrent zijn relatie met [K.] en zijn intentie, namelijk de zorg voor de kinderen, ziet de Raad geen aanleiding om wat betreft de schending van de inlichtingenverplichting door [K.] tot een ander oordeel te komen. Dit betekent dat [K.] over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 30 april 2008 niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder.

4.3. Aangezien appellant de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [K.] rekening had moeten worden gehouden en verder vaststaat dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat [K.] de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is ten aanzien van appellant voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat het college bevoegd was de kosten van de over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 30 april 2008 aan [K.] verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen.

4.4. Het college voert het beleid om altijd gebruik te maken van de bevoegdheid tot terugvordering van ten onrechte verleende bijstand, tenzij specifieke, individuele omstandigheden aanleiding geven om van terugvordering af te zien of het terugvorderingsbedrag te matigen. Het college heeft in overeenstemming met dit beleid besloten tot volledige medeterugvordering van appellant.

4.5. In zijn uitspraak van 18 oktober 2011, LJN BU2033, heeft de Raad de terugvordering van [K.] van de in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 30 april 2008 ten behoeve van haar gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 10.120,70 in stand gelaten. Tevens heeft de Raad daarbij geoordeeld (rechtsoverweging 4.5) dat nu niet vastgesteld kan worden wat appellant gedurende de betreffende periode heeft verdiend met zijn werkzaamheden, het college terecht tot de conclusie is gekomen dat [K.] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze over de periode in geding recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad als zij wel aan haar inlichtingenverplichting had voldaan. Ook in onderhavig geding heeft appellant niet met objectieve, controleerbare gegevens onderbouwd over welke middelen hij tijdens de periode in geding heeft beschikt. Er is dan ook geen aanleiding om dienaangaande tot een ander oordeel te komen. Aan de gronden die zien op de terugvordering van [K.] gaat de Raad voorbij, nu zij geen belanghebbende in dit geding is.

4.6. Hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd omvat geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregels had moeten afwijken.

4.7. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) E.J.M. Heijs.

(get.) J. de Jong.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB