Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1253

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11-1026 WIJ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een werkleeraanbod en weigering inkomensvoorziening. Dakloze. Onvoldoende medewerking verleend aan het onderzoek naar verblijfsituatie. Daarmee heeft appellant de ingevolge artikel 44, tweede lid, van de WIJ op hem rustende verplichting geschonden. Als gevolg van die schending kan niet worden vastgesteld of appellant recht heeft op een werkleeraanbod en op een inkomensvoorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1026 WIJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], zonder vaste woon- of verblijfplaats (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2010, 10/3965 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 10 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Verkerk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren op [datum] 1985, heeft op 17 mei 2010 op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) een aanvraag om een werkleeraanbod ingediend. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat hij een zwervend bestaan leidt. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de door appellant verstrekte gegevens over zijn woonadres en/of woonsituatie. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 25 mei 2010. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 28 mei 2010 de aanvraag om een werkleeraanbod af te wijzen en een inkomensvoorziening te weigeren.

1.2. Bij besluit van 12 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2010 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft meegewerkt aan een locatiebezoek en geen inlichtingen heeft verstrekt over zijn woon- en verblijfsituatie en dat als gevolg daarvan het recht op een werkleeraanbod en een inkomensvoorziening niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geschil in hoger beroep heeft zich toegespitst op de vraag of voldoende duidelijkheid bestaat omtrent de feitelijke woon- of verblijfsituatie van appellant. Appellant is op grond van artikel 44, eerste lid, van de WIJ verplicht hieromtrent juiste en volledige informatie te verstrekken. Het is vervolgens aan het college om de gegeven inlichtingen in het kader van de onderzoeksplicht als bedoeld in artikel 46, tweede lid, van de WIJ op juistheid en volledigheid te controleren. Aan zo’n onderzoek dient appellant op grond van artikel 44, tweede lid, van de WIJ medewerking te verlenen.

4.2. Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft overwogen dat niet ter discussie staat dat appellant zich ten tijde van de aanvraag in de gemeente Amsterdam bevond en dat hij daaruit afleidt dat het college de verblijfplaats van appellant niet heeft betwist en dat appellant daadwerkelijk in Amsterdam verbleef. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat appellant ten tijde hier van belang daadwerkelijk in Amsterdam verbleef. Het college heeft juist een onderzoek ingesteld om de verblijfsituatie van appellant vast te stellen.

4.3. Appellant heeft op 17 mei 2010 schriftelijk verklaard dat hij gedurende de periode van 11 oktober (lees: mei) 2010 tot en met 17 oktober (lees: mei) 2010 op twee adressen en buiten op straat, in Amsterdam, heeft verbleven. Op 17 mei 2010 heeft appellant tegen een medewerker van DWI gezegd dat hij vooral buiten slaapt in het Oosterpark. Blijkens het formulier ‘Afspraakbevestiging Locatiebezoek (Aanvraag WIJ)’ heeft de medewerker van DWI met appellant afgesproken dat appellant gedurende de periode van vijf werkdagen na 17 mei 2005 tot 11.00 uur op de door hem aangegeven locatie aanwezig zal zijn ter controle van zijn verblijfsituatie. Op dat formulier is vermeld dat indien een klant de afspraak niet nakomt de aanvraag zal worden afgewezen. Op het door appellant eveneens op 17 mei 2010 voor akkoord ondertekende formulier ‘Plattegrond van de locatie’ heeft hij geschreven dat hij in het park schuin rechts aan de overzijde van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) zit of op een bank ligt en dat hij geen tekening van de locatie kan maken. Op 20 en 21 mei 2010 hebben twee handhavingspecialisten om 05.54 uur respectievelijk 06.22 uur een locatiebezoek gebracht aan het Oosterpark waarbij zij dat park via de ingang tegenover de ingang van het OVLG hebben betreden. Zij troffen appellant toen niet aan op de in de door hem aangeduide omgeving.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat hij in de open lucht slecht slaapt en vroeg uit de veren is en daarom altijd rond 06.00 uur ’s morgens uit het park vertrekt en dat dit verklaart waarom de medewerkers van DWI hem daar niet hebben aangetroffen. Appellant heeft naar zijn zeggen tegenover de medewerkers van de DWI te kennen gegeven gedurende de nacht in het park te verblijven en aangezien het voor hem om 06.00 uur alweer ochtend is, kan hem niet worden tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan het locatieonderzoek. Deze beroepsgrond treft geen doel. Met appellant is immers de afspraak gemaakt dat hij op de vijf werkdagen na 17 mei 2010 tot 11.00 uur in het Oosterpark aanwezig was. Appellant heeft het onder 4.3 genoemde formulier ter bevestiging van die afspraak voor akkoord ondertekend en dit formulier is aan hem meegegeven. Dat betekent dat appellant op 20 en 21 mei 2010 om 05.54 uur respectievelijk 06.22 uur nog in het Oosterpark aanwezig had moeten zijn. Dat hij slecht slaapt en voor 06.00 uur wakker is, betekent niet dat hij zich niet aan de afspraak hoefde te houden.

4.5. Hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen betekent dat appellant onvoldoende medewerking heeft verleend aan het onderzoek naar zijn verblijfsituatie en daarmee de ingevolge artikel 44, tweede lid, van de WIJ op hem rustende verplichting heeft geschonden. Als gevolg van die schending kan niet worden vastgesteld of appellant ten tijde hier van belang recht heeft op een werkleeraanbod en op een inkomensvoorziening. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag om een werkleeraanbod afgewezen en een inkomensvoorziening geweigerd.

4.6. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD