Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
10-6065 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning Wet WIA-uitkering. Vaststelling dagloon. Dat betrokkene door zijn casemanager niet is voorgelicht over alle mogelijke consequenties van zijn beslissing om als zelfstandige te gaan werken, kan niet leiden tot het oordeel dat het dagloon in strijd met de wettelijke bepalingen op een hoger bedrag had moeten worden vastgesteld. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen 2
Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen 3
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/130

Uitspraak

10/6065 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 29 september 2010, 09/338 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 6 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. Betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat er voor hem recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het dagloon van betrokkene is daarbij per 10 november 2008 vastgesteld op € 125,36.

1.2. Bij besluit van 17 februari 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het tegen het besluit van 24 oktober 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De rechtbank heeft onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - kort samengevat - overwogen dat het dagloon in afwijking van de wettelijke regeling moet worden vastgesteld omdat betrokkene door appellant onvolledig is voorgelicht over de gevolgen die het werken als zelfstandige voor hem zou kunnen hebben voor een eventueel toekomstig uitkeringsrecht.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het dagloon van betrokkene juist is vastgesteld. De inkomsten die betrokkene heeft genoten als zelfstandige kunnen niet bij de berekening worden betrokken, nu deze inkomsten niet behoren tot het loon in de zin van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (BDW). Het BDW biedt geen mogelijkheid het dagloon van betrokkene te verhogen op basis van de inkomsten die hij als zelfstandige heeft genoten. De verplichting tot verstrekking van informatie gaat niet zover dat appellant betrokkene over alle gevolgen van het werken als zelfstandige dient te informeren

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. In - voor zover hier van belang - artikel 13 van de Wet WIA en de artikelen 2 en 3 van het BDW is dwingendrechtelijk geregeld op welke wijze het dagloon moet worden vastgesteld in een situatie als waarin betrokkene zich bevindt. Ingevolge deze regeling moeten inkomsten die naast het zogeheten SV-loon worden genoten, zoals in het onderhavige geval de inkomsten die betrokkene als zelfstandige ontving, buiten beschouwing blijven. De wetgever heeft bewust voor dit berekeningssysteem gekozen. Dat aan betrokkene als gevolg van de inkomsten die hij als zelfstandige genoot een lagere WW-uitkering werd uitbetaald, heeft, gelet op dit systeem, tot gevolg dat ook het dagloon voor de Wet WIA lager is dan dat het zou zijn geweest indien de WW-uitkering volledig aan betrokkene zou zijn uitbetaald. Dit is een direct gevolg van de keuze van de wetgever, welk gevolg niet teniet mag worden gedaan door toepassing van artikel 3:4 van de Awb, omdat bij de toepassing van genoemde artikelen van de Wet WIA en het BDW voor het uitvoeringsorgaan geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Dat betrokkene door zijn casemanager niet is voorgelicht over alle mogelijke consequenties van zijn beslissing om als zelfstandige te gaan werken, kan dus niet leiden tot het oordeel dat het dagloon in strijd met de wettelijke bepalingen op een hoger bedrag had moeten worden vastgesteld. Van een situatie dat strikte toepassing van de hier aan de orde zijnde regeling als gevolg van die onvolledige voorlichting in die mate in strijd komt met fundamentele rechtsbeginselen dat zij op grond daarvan achterwege moet blijven, is niet gebleken. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

5. De Raad stelt vast dat door betrokkene geen (andere) beroepsgronden naar voren zijn gebracht die aanknopingspunten bieden om te komen tot het oordeel dat het dagloon van betrokkene in het besluit van 24 oktober 2008 onjuist is vastgesteld. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene daarom ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en T.L. de Vries en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van N.S. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2012.

(get.) T. Hoogenboom

(get.) N.S. El Hana

JL