Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1071

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
11-1266 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY6230
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen in een pensioen voor een gehuwde. Gelet op hetgeen appellant heeft ingevuld op het formulier ‘Onderzoek duurzaam gescheiden leven’ en het verhandelde ter hoorzitting, is er in het geval van appellant en zijn echtgenote geen sprake van duurzaam gescheiden leven. De afwezigheid van (met name) enige financiële verstrengeling maakt dat niet anders. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1266 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 januari 2011, 10/698 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 6 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2012. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. van der Weerd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 8 december 2009 heeft de Svb het pensioen van appellant voor een alleenstaande ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) per december 2009 herzien in een pensioen voor een gehuwde. Aan dit besluit is ten gronde gelegd dat appellant op 25 november 2009 in het huwelijk is getreden. Het bezwaar tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 15 april 2010 ongegrond verklaard, waarna het beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van gronden.

1.2. Door appellant is verzocht om terug te komen van het besluit van 8 december 2009 op de grond dat hij en zijn echtgenote niet samenwonen.

1.3. Bij besluit van 5 januari 2010 is dit verzoek afgewezen. Ter motivering is opgemerkt dat aan het verzoek alleen voldaan zou kunnen worden als appellant en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leefden. Daarvoor is nodig dat sprake is van een door (één van de) echtgenoten gewilde en als bestendig bedoelde situatie, waarbij de feitelijke toestand uitwijst dat beiden een afzonderlijk leven leiden als waren zij niet gehuwd. Nu door appellant tegenover de Svb enkele malen is verklaard dat de situatie van gescheiden wonen van tijdelijke aard is, is van een bestendige situatie als hiervoor bedoeld geen sprake. Het is derhalve niet mogelijk de omzetting van het pensioen van een alleenstaande naar het pensioen van een gehuwde ongedaan te maken.

2.1. In bezwaar is namens appellant onder meer opgemerkt dat telefonisch en per mail informatie is ingewonnen bij de Svb, waarbij is verzekerd dat hij, na zijn huwelijk, het pensioen voor een alleenstaande zou behouden.

2.2. Bij besluit van 15 april 2010 is het bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellant in essentie zijn in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald.

4.2. De Raad stelt voorop dat in hoger beroep slechts in geschil is of de Svb met recht heeft geoordeeld dat op en na 4 januari 2010 appellant geen recht had op een AOW-pensioen voor een alleenstaande.

4.3. Ten aanzien van dit punt van geschil merkt de Raad primair op dat appellant heeft gesteld, middels het door hem ingevulde formulier ‘Onderzoek duurzaam gescheiden leven’, gedateerd 11 januari 2010, dat appellant en zijn echtgenote niet samenwonen en zij ook niet de intentie hebben om te gaan samenwonen. Appellant heeft verder, onder meer, aangegeven dat er geen sprake is van een financiële verstrengeling. Appellant en zijn echtgenote hebben wel enkele malen per week contact met elkaar. Zij gaan samen op vakantie, bezoeken én ontvangen samen familie en vrienden en maken samen uitstapjes. Tijdens de hoorzitting op 9 maart 2010 heeft appellant een en ander nader verklaard. Zo heeft hij opgemerkt dat hij en zijn echtgenote op huwelijkse voorwaarden zijn getrouwd. Er is alleen een testament gemaakt. Naar buiten toe presenteren zij zich als een LAT-relatie.

4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is van duurzaam gescheiden leven sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één van hen, als bestendig is bedoeld. Voorts heeft de Raad in zijn rechtspraak tot uitdrukking gebracht dat in het algemeen kan worden aangenomen dat na het sluiten van een huwelijk de betrokkenen de intentie hebben een echtelijke samenleving - al dan niet op termijn - aan te gaan, maar dat het niet is uit te sluiten dat onder omstandigheden vanaf de huwelijksdatum van duurzaam gescheiden leven kan worden gesproken, mits dat ondubbelzinnig uit de feiten en omstandigheden blijkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 maart 2004, LJN AO6231.)

4.5. Gelet op hetgeen appellant heeft ingevuld op het onder 4.3 vermelde formulier ‘Onderzoek duurzaam gescheiden leven’ en het verhandelde ter hoorzitting, is er in het geval van appellant en zijn echtgenote geen sprake van duurzaam gescheiden leven in de onder 4.4 bedoelde zin. De afwezigheid van (met name) enige financiële verstrengeling maakt dat niet anders.

4.6. Appellant heeft subsidiair een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Aan appellant en/of zijn echtgenote zou telefonisch meerdere malen zijn verzekerd dat in hun situatie appellant zijn recht op een AOW-pensioen voor een alleenstaande zou behouden. Appellant heeft verder gewezen op een mailwisseling op 8 en 9 januari 2009, waaraan hij dezelfde conclusie mocht ontlenen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan reeds niet slagen omdat het feitelijke grondslag mist. Het dossier bevat geen stukken met betrekking tot de door appellant gestelde telefonische contacten en namens de Svb is verklaard dat de gestelde contacten bij de Svb niet bekend zijn. Ten aanzien van de mailwisseling op 8 en 9 januari 2009 is van belang dat deze mails tegenstrijdige informatie bevatten. Appellant had dan ook niet zonder nadere controle uit die mailwisseling mogen concluderen dat hij na zijn huwelijk recht zou behouden op een AOW-pensioen naar de norm van een alleenstaande.

5. Het hoger beroep slaagt niet.

6. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende,

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2012.

(get.) H.J. Simon.

(get.) I.J. Penning.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

JL