Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
11-1493 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening toekenning studiefinanciering nar de norm van een thuiswonende studerende. Indien van een verschil in adres van ouder en studerende geen sprake is, is er geen ruimte om tot een ander oordeel te komen dan dat de studerende moet worden aangemerkt als een thuiswonende studerende. Voor het toekennen van betekenis aan de feitelijke woonsituatie is geen ruimte. Bij beoordeling van de woonsituatie van een studerende is niet de vraag aan de orde of de studerende op hetzelfde GBA-adres is ingeschreven als (een van) zijn ouders, maar de vraag of de studerende feitelijk woont op hetzelfde GBA-adres als dat van (een van) zijn ouders. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Minister niet tot volledige herziening van de eerdere toekenning van studiefinanciering aan appellante mocht overgaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/133

Uitspraak

11/1493 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 2 februari 2011, 10/1411 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister).

Datum uitspraak: 6 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.A. Hofstra hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hofstra. Voor de Minister is verschenen mr. G.J.M. Naber.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Minister heeft appellante bij besluit van 8 mei 2009 op haar aanvraag met ingang van 1 mei 2009 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) toegekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is bij besluit van 29 oktober 2009 voor het jaar 2010 geprolongeerd.

1.2. Naar aanleiding van een begin 2010 door de Minister uitgevoerde controle heeft de Minister de toekenning van deze studiefinanciering bij besluiten van 29 april 2010 herzien, in die zin dat appellante vanaf mei 2009 (weer) als thuiswonende studerende is aangemerkt. Hetgeen haar, gelet op de herziening, op basis van de besluiten van 8 mei 2009 en 29 oktober 2009 te veel is toegekend is daarbij van haar teruggevorderd.

1.3. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Zij heeft daarbij vermeld dat zij met haar vriend zelfstandig woont, in een van haar ouders afgezonderde wooneenheid, waarvoor zij ook huur en gemeentelijke heffingen betaalt. De wooneenheden grenzen weliswaar aan elkaar, maar zij hebben elk hun eigen voorzieningen. Zij meent daarom ten onrechte als thuiswonende studerende te zijn aangemerkt.

1.4. De Minister heeft dit bezwaar bij besluit van 6 juli 2010 ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat appellante en haar ouders op hetzelfde GBA-adres ingeschreven staan.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juli 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat voor de beoordeling of een studerende uit- of thuiswonend is uitsluitend kan worden gekeken naar de registratie in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 16 januari 2009, LJN BH0998, heeft de rechtbank geoordeeld dat gegeven de duidelijke tekst van artikel 1.1 van de Wsf 2000 geen betekenis toekomt aan de feitelijke woonsituatie. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de Minister buitenwettelijk begunstigend beleid voert waarmee hij een studerende toestaat bewijs te leveren van zijn eventuele uitwonendheid wanneer hij in de gecontroleerde periode feitelijk niet bij (een van) zijn ouders heeft gewoond. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat dit beleid door de Minister niet consistent is toegepast.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de herziening door de Minister in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel omdat de Minister heeft nagelaten onderzoek in te stellen naar de feitelijke woonsituatie van appellante. Zij heeft daarbij aangevoerd dat de GBA-registratie door de gemeente onjuist was.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge de in artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 opgenomen begripsbepaling, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, wordt verstaan onder thuiswonende studerende de studerende die woont op het adres van zijn ouders of één van hen. Onder uitwonende studerende wordt verstaan de studerende die niet een thuiswonende studerende is.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat in de in geding zijnde periode geen verschil bestond tussen het in de GBA geregistreerde adres van appellante en dat van haar ouders. Bovendien woonde appellante feitelijk op dat adres.

4.3.1. Zoals de Raad al vaker heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in de door de rechtbank genoemde uitspraak, biedt, indien van een verschil in adres van ouder en studerende geen sprake is, de duidelijke tekst van artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals weergegeven in 4.1 geen ruimte om tot een ander oordeel te komen dan dat de studerende moet worden aangemerkt als een thuiswonende studerende. Voor het toekennen van betekenis aan de feitelijke woonsituatie biedt het artikel daarbij evenmin ruimte.

4.3.2. De in de Wsf 2000 opgenomen regeling heeft mede tot doel op eenvoudige wijze te kunnen vaststellen of een studerende thuiswonend is. Het gevolg van de door de wetgever gekozen regeling is dat nuances, waaronder ook begrepen de omstandigheid dat ingevolge een gemeentelijke verordening ten aanzien van hetzelfde GBA-adres wordt uitgegaan van meerdere afzonderlijke wooneenheden waarvoor aparte aanslagen worden opgelegd, niet relevant zijn bij de beantwoording van de vraag of betrokkene als uit- of thuiswonende studerende dient te worden aangemerkt. Onderzoek daarnaar is dan ook niet nodig. In zoverre kan dan ook niet worden gezegd dat het besluit tot herziening onzorgvuldig tot stand is gekomen. Evenmin behoefde de Minister onderzoek te doen naar de juistheid van de GBA-inschrijving. Voor zover appellante meent dat de gemeente haar ten onrechte pas per 1 oktober 2010 - en derhalve niet met terugwerkende kracht - op een nieuw GBA-adres heeft ingeschreven, zal zij zich tot de gemeente moeten wenden.

4.4.1. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Minister niet tot volledige herziening van de eerdere toekenning van studiefinanciering aan appellante mocht overgaan. Artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000, geeft de Minister uitdrukkelijk de bevoegdheid een eerder op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens genomen beschikking te herzien. De Minister voert bij de uitoefening van deze bevoegdheid het beleid dat altijd volledig wordt herzien, tenzij de gegevens die tot de toekenning hebben geleid meerdere keren onjuist zijn verwerkt en de studerende redelijkerwijs niet van de onjuistheid van de toekenning op de hoogte kon zijn. In de uitzonderingssituatie wordt de herziening door de Minister gematigd. De Raad heeft al vaker geoordeeld dat hij dit beleid niet kennelijk onredelijk acht.

4.4.2. Voor het onderhavige geval dient te worden vastgesteld dat de namens appellante ingediende aanvraag in overeenstemming met de verstrekte gegevens is gehonoreerd. Van onjuist verwerkte gegevens is geen sprake. Zo al zou moeten worden aangenomen dat de verstrekte gegevens de Minister aanleiding hadden moeten geven de aanvraag af te wijzen, dan kan worden vastgesteld dat deze gegevens voorafgaand aan de toekenning (slechts) eenmaal onjuist zijn verwerkt. Reeds hierom bestaat voor matiging als bedoeld in het hiervoor beschreven beleid geen aanleiding, nog los van de vraag of appellante, gelet op de bestendige rechtspraak van de Raad met betrekking tot dergelijke kwesties, niet redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de onjuistheid van de toekenning.

Naar het oordeel van de Raad behoefde de Minister in de omstandigheden van het geval, die sterke gelijkenis vertonen met die welke hebben geleid tot de onder 2 genoemde uitspraak, geen aanleiding te zien ten gunste van appellante van dit beleid af te wijken.

4.5.1. Ter verduidelijking van zijn in 2 bedoelde rechtspraak wijst de Raad op het volgende. Bij beoordeling van de woonsituatie van een studerende is niet de vraag aan de orde of de studerende op hetzelfde GBA-adres is ingeschreven als (een van) zijn ouders, maar de vraag of de studerende feitelijk woont op hetzelfde GBA-adres als dat van (een van) zijn ouders. De GBA-inschrijving op het adres van (een van) de ouders levert (niet meer dan) een vermoeden van thuiswonendheid op, dat door de studerende mag worden weerlegd, bijvoorbeeld door, zoals ook in het door de Minister toegepaste beleid (en de op basis daarvan aan de studerenden toegezonden controlebrieven) is vermeld, hem aannemelijk te laten maken dat hij feitelijk op een ander GBA-adres woonachtig was. Dat, gelet op artikel 1.5 van de Wsf 2000, zoals dat in de door de Raad gevormde rechtspraak wordt uitgelegd, feitelijk wonen op een ander adres dan het GBA-adres waarop de studerende is ingeschreven - eveneens - consequenties kan hebben voor de hoogte voor de toelage, is daarbij niet van belang.

4.5.2. De Raad wijst er voorts op dat de mogelijkheid van het leveren van tegenbewijs niet - en dus anders dan de rechtbank in het onderhavige geval heeft aangenomen - is gebaseerd op buitenwettelijk beleid, maar deze mogelijkheid volgt uit hetgeen is bepaald in artikel 1.1 van de Wsf 2000, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, en uit het door de Minister daarbij gehanteerde beleid. De onjuiste kwalificatie van dit beleid - en daarmee een onjuiste toetsing - door de rechtbank leidt echter niet tot een ander oordeel over de aangevallen uitspraak.

4.6. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5.2 slaagt het hoger beroep van appellante niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering van de gronden waarop zij rust.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 april 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) J.R. Baas.

IvR