Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW1002

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
10-810 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum bijstandsuitkering. Niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat de commissie met terugwerkende kracht bijstand moest verlenen. Niet aannemelijk gemaakt met medische gegevens dat geen aanvraag kon worden ingediend ten gevolge van ernstige gezondheidsproblemen binnen het gezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/810 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 januari 2010, 09/3475 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

Datum uitspraak: 27 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.E.C. Krijnen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2012. Appellante is, hoewel door de Raad daartoe opgeroepen, niet verschenen. De commissie, opgeroepen bij gemachtigde, heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.J. Spronk.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. [B.], de partner van appellante, heeft zich op 11 november 2008 bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) gemeld voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). [B.] en appellante hebben bijstand aangevraagd met ingang van 22 juni 2008. Zij hebben daartoe gesteld dat de Ziektewet-uitkering van [B.] op die dag stopte en dat toen nog niet bekend was dat de aanvraag ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van [B.] zou worden afgewezen.

1.2. Bij besluit van 17 februari 2009 heeft de commissie - voor zover hier van belang - aan appellante en [B.] met ingang van 11 november 2008 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden en de aanvraag om bijstand over de periode van 22 juni 2008 tot en met 10 november 2008 afgewezen.

1.3. Bij besluit van 24 juli 2009 (bestreden besluit) heeft de commissie het bezwaar tegen het besluit van 17 februari 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de grond dat de commissie in het bestreden besluit onvoldoende aandacht had besteed aan de gezinssituatie van appellante. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode voorafgaande aan de aanvraag (permanent) buiten staat is geweest een aanvraag om bijstand in te dienen of te laten indienen en dat voorts niet gesproken kan worden van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van de bijstand rechtvaardigen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Appellante voert aan dat wel sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Appellante ging er van uit dat de WIA-uitkering zou worden toegekend en wist niet dat zij in afwachting van die beslissing bijstand kon aanvragen. Door haar gezinsomstandigheden kon zij ook niet eerder een aanvraag om bijstand indienen. Zij is verlaten door [B.] en achtergebleven met gezamenlijke schulden. Door de medische en psychische problemen van haar kinderen kon zij nauwelijks het huis verlaten. Zij is hierdoor in een nijpende financiƫle situatie terechtgekomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 12 december 2010, LJN BO8241, wordt inzake de toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen, dat in dit geval niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat de commissie met terugwerkende kracht bijstand moest verlenen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij en [B.] in de periode voorafgaande aan de aanvraag ten gevolge van ernstige gezondheidsproblemen binnen het gezin permanent buiten staat zijn geweest tijdig een aanvraag om bijstand in te dienen. Medische gegevens die een dergelijke stelling zouden kunnen onderbouwen zijn ook in hoger beroep niet overgelegd. Appellante is, ofschoon opgeroepen, niet ter zitting verschenen, zodat ook geen nadere toelichting is gegeven. Overigens was appellante in die periode wel voorzien van professionele rechtsbijstand die haar diverse malen heeft geadviseerd bijstand aan te vragen. In de omstandigheid dat appellante naar haar stelling in de periode vanaf juni 2008 tot 11 november 2008 door gemis aan inkomsten niet in het levensonderhoud van haar gezin kon voorzien en dat daardoor haar schulden zijn opgelopen, is evenmin een toereikende grond gelegen om af te wijken van bovenvermelde hoofdregel. Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat de commissie de bijstand met ingang van een eerdere datum dan 11 november 2008 had moeten verlenen.

4.3. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.2 is overwogen voert tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van

J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD