Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
10-4832 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Er zijn geen aanknopingspunten om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4832 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 juli 2010, 09/773 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is door H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij een advocatenkantoor, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 april 2011 is namens appellante een medisch stuk in het geding gebracht, waarop door bezwaarverzekeringsarts P. Tjen bij rapport van 15 april 2001 is gereageerd.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 februari 2012. Waar partijen - met bericht - niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk werkzaam als bejaardenverzorgster, heeft zich vanuit een situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, op 5 maart 2007 ziek gemeld wegens pijnklachten en bewegingsbeperkingen na een haar overkomen auto-ongeluk. In verband met een mogelijke aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv een medisch en arbeidskundig onderzoek ingesteld. Bij besluit van 5 december 2008 heeft het Uwv op basis van dit onderzoek vastgesteld dat voor appellante per 2 maart 2009 geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 april 2009 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Daartoe heeft zij, voor zover hier van belang, overwogen dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen. Naar het oordeel van de rechtbank is de informatie van de behandelende sector door de (bezwaar)verzekeringsarts uitdrukkelijk en in voldoende mate in de beoordeling betrokken. Niet is gebleken dat deze informatie in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. Appellante heeft geen gegevens overgelegd waaruit medische beperkingen zijn te herleiden die ernstiger zijn dan door het Uwv aangenomen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts uitvoerig in zijn rapporten heeft gemotiveerd waarom de in beroep namens appellante overgelegde rapporten van psychiater A.M.A. Groot en het rapport van psychologe C. van den Heuvel, alsmede de overige medische gegevens, geen aanleiding geven om ten aanzien van de belastbaarheid van appellante een ander standpunt in te nemen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de eindconclusies van het (bezwaar)verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken.

3.1. Het hoger beroep keert zich tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit en de op basis van die grondslag geduide functies. Volgens appellante zijn haar fysieke, cognitieve en psychische klachten als gevolg van haar (post-)whiplashsyndroom niet voldoende onderkend en weerspiegelt de Functionele Mogelijkheden Lijst in onvoldoende mate haar functionele beperkingen. Appellante is van mening dat zij ten gevolge van haar klachten en beperkingen op en na 2 maart 2009 niet in staat is tot het duurzaam en fulltime verrichten van arbeid. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de in bezwaar en beroep ingebrachte rapporten van diverse psychologen, waaronder het rapport van psychologe Van den Heuvel, de rapporten van revalidatiearts R.P. Strackke, het expertiserapport van psychiater Groot en de in hoger beroep ingebrachte verklaring van neuroloog J.Patijn.

3.2. Het Uwv heeft gemotiveerd verweer gevoerd en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep aanvoert bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.

4.2. Ook de Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Op grond van het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens van lichamelijke en psychische aard kan niet worden geoordeeld dat de ten tijde hier van belang voor appellante geldende beperkingen door het Uwv zijn onderschat. In het bijzonder zijn er geen aanknopingspunten in objectief-medische zin die steun verlenen aan de eigen opvatting van appellante dat zij niet langer beschikt over als voldoende duurzaam aan te merken resterende arbeidsmogelijkheden. Zodanige aanknopingspunten zijn met name ook niet te vinden in het rapport van psychiater Groot van 21 december 2009 waarnaar appellante wederom verwijst. De Raad onderschrijft het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts van 12 januari 2010 op het rapport van psychiater Groot. In dat commentaar wordt, kort samengevat, het standpunt ingenomen dat de conclusies van Groot niet afdoende worden gesteund door de objectief-medische onderzoeksbevindingen en zonder nadere motivering duidelijk afwijken van de conclusies van de door appellante geraadpleegde psychologen. De conclusies van Groot lijken, aldus de bezwaarverzekeringsarts, te zijn gestoeld op de klachtenpresentatie door appellante en haar eigen subjectieve opvatting over haar (ontbrekende) arbeidsmogelijkheden. Aan de eigen mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand en de daaruit voortvloeiende beperkingen kan de Raad, in aanmerking genomen dat slechts dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten, echter niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien, nu zij in haar opvatting onvoldoende gesteund wordt door van artsen afkomstige gegevens en bevindingen. Ook het door appellante in hoger beroep ingebrachte rapport van neuroloog Patijn heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. De Raad kan zich verenigen met de reactie van de bezwaarverzekeringsarts op dat rapport, namelijk dat de brief van de neuroloog voor wat betreft de datum in geding diagnostisch noch klinisch enige relevante nieuwe informatie aan het licht brengt.

4.3. Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante heeft de Raad, evenmin als de rechtbank, reden gezien om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies. De signaleringen van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn door de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv afdoende toegelicht in diens rapport van 23 april 2009.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en H. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) Z. Karekezi.

NW