Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
10/6111 WIA
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY6888, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag vergoeding vervoer. Het Uwv heeft op goede gronden geconcludeerd dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en heeft de aanvraag van betrokkene voor een vervoersvoorziening terecht afgewezen.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 3, geldigheid: 2012-04-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/128
USZ 2012/152

Uitspraak

10/6111 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 oktober 2010, 09/3742 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 april 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2012, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door A.A.M. Schalkwijk. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. De Jong.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkene heeft in 1981 een operatie in zijn hoofd ondergaan en is volledig arbeidsongeschikt verklaard. Sedert 1981 is betrokkene voor drie halve dagen per week werkzaam als vakkenvuller bij (rechtsvoorgangers van) Albert Heijn waarvoor hij een geringe vergoeding ontvangt. Hij ontvangt sinds 1994 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100 %. Vanaf 1981 heeft hij een vergoeding voor woon-werkverkeer en een leefkilometervergoeding ontvangen van (rechtsvoorgangers van) appellant. In verband met de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is deze vergoeding per 1 januari 2009 ingetrokken. Bij besluit van 28 november 2008 is de toekenning van deze vergoeding uit coulance gecontinueerd tot en met 30 juni 2009.

1.3. Bij besluit van 5 juni 2009 heeft appellant de door betrokkene ingediende aanvraag vergoeding vervoer afgewezen. Bij besluit van 12 november 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 juni 2009 ongegrond verklaard omdat geen sprake was van een dienstbetrekking en betrokkene derhalve geen recht had op voorzieningen als bedoeld in artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

Betrokkene heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van betrokkene. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is een productieve arbeidsprestatie, waarvoor loon wordt ontvangen en waarbij een gezagsverhouding aanwezig is, zodat sprake is van een dienstbetrekking.

3.1. Appellant heeft (samengevat) in hoger beroep gesteld dat niet is voldaan aan de geldende criteria voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Van een reële arbeidsprestatie is geen sprake nu betrokkene slechts een beperkt aantal taken uitvoert. De vergoeding van € 0,80 per uur die betrokkene ontvangt is zodanig laag dat niet gesproken kan worden van loon, evenmin is sprake van een gezagsverhouding aangezien betrokkene zelf zijn werktijden mag bepalen en niet verplicht is op het werk te verschijnen als hij dat niet wil. Omdat de werkzaamheden de kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking missen kan aan betrokkene geen vervoersvoorziening worden toegekend.

3.2. Betrokkene heeft in verweer volhard in zijn standpunt dat wel degelijk sprake is van arbeid in dienstbetrekking en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Wettelijk kader

In artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA - voor zover van belang - is bepaald dat appellant aan een persoon met een naar het oordeel van appellant structurele functionele beperking, die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, op aanvraag voorzieningen kan toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

Artikel 35, tweede lid, van de Wet WIA geeft een limitatieve opsomming van voorzieningen als bedoeld in het eerste lid. Onder a wordt daarbij vermeld: vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wet WIA is werknemer in de zin van de Wet WIA de werknemer in de zin van de Ziektewet (ZW).

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de ZW is de werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

Onder privaatrechtelijke dienstbetrekking moet worden verstaan de burgerrechtelijke arbeidsovereenkomst zoals omschreven in artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW): De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

Naar vaste rechtspraak wordt een privaatrechtelijke dienstbetrekking aanwezig geacht indien is voldaan aan drie vereisten: een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, een verplichting tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding.

4.2. Voor aanspraak van betrokkene op een voorziening in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA is, voor zover hier van belang, dan ook vereist dat hij met het verrichten van zijn werkzaamheden als vakkenvuller in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene hieraan niet voldoet.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat betrokkene persoonlijk arbeid verricht en dat sprake is van een gezagsverhouding nu betrokkene op afgesproken tijden taken uitvoert als vakkenvuller, waarbij hij aanwijzingen kan ontvangen van een leidinggevende. De vergoeding van ongeveer € 0,80 per uur is in vergelijking met het wettelijk minimum loon van € 8,49 (per 1 juli 2009) echter zodanig laag dat niet gesproken kan worden van een reëel loon in verhouding tot de geleverde arbeidsprestatie. Appellant heeft derhalve op goede gronden geconcludeerd dat geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en heeft de aanvraag van betrokkene voor een vervoersvoorziening als bedoeld in art 35, tweede lid, van de Wet WIA terecht afgewezen.

5. Gelet op het gestelde in 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep en dient de aangevallen uitspraak vernietigd te worden.

6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) K.E. Haan.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

EK