Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0640

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
10-2738 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag. Het recht op kinderbijslag betreft een recht op kinderbijslag overeenkomstig de wettelijke regeling van de lidstaat welke inzake het pensioen of de rente bevoegd is. Mitsdien kon de Svb aan appellant het ontbreken van informatie over onder andere de klokuren tegenwerpen. Er is geen sprake zijn van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet
Algemene Kinderbijslagwet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2738 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (België) (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2010, 09/3947

(aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 30 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. Het geding is gevoegd behandeld met de gedingen 08/6794 AOW en 08/7028 AKW tussen appellant en de Svb, alsmede met het geding 09/3997 AOW tussen de echtgenote van appellant en de Svb. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes en J.Y. van den Berg. Na de behandeling zijn de zaken gesplitst

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 februari 2009 heeft de Svb geweigerd aan appellant ten behoeve van zijn kind [A.], geboren op [in] 1992, kinderbijslag toe te kennen met ingang van het eerste kwartaal van 2009. Het besluit van 24 februari 2009 is gebaseerd op de aan artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Regeling Klokuren 1998 ontleende grond dat niet kan worden getoetst of [A.] in het schooljaar 2008-2009 in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgde gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal dan wel of [A.] per jaar ten minste 1600 uur bezig was met zijn opleiding.

1.2. Bij besluit van 11 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft de Svb besloten dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag voor [A.] over het eerste kwartaal van 2009. Daartoe is overwogen dat [A.] thuisonderwijs volgt en dat appellant heeft geweigerd informatie te verstrekken over het aantal klokuren aan lessen of over het aantal uren van zijn studieactiviteiten. De Svb kan daardoor niet nagaan of het thuisonderwijs van [A.] onderwijs in de zin van de AKW is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant gronden aangevoerd ontleend aan Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71), Verordening (EEG) nr. 1612/68 (Vo 1612/68), artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) en andere in dat verdrag neergelegd vrijheden, Richtlijn 95/46/EG (Richtlijn 95/46), het Besluit internationale taken van de Svb van 4 oktober 1995 en de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2004, LJN AQ7509. Hij stelt zich kort gezegd op het standpunt dat hij een verklaring van huisonderwijs van de Belgische overheid voor het jaar 2008-2009 heeft overgelegd waaruit blijkt dat het onderwijs van [A.] voldoet aan de Belgische eisen. Het verzoek van de Svb om meer informatie gaat verder dan noodzakelijk is en verder dan waartoe de bevoegdheid van de Svb strekt. Tot slot heeft appellant verzocht hem schadevergoeding toe te kennen wegens geestelijke kwelling door de Svb en daarmee geen eerlijke procesgang.

4.1. Appellant woont in België en ontvang sinds mei 2007 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Niet in geschil is dat appellant ingevolge artikel 77 van Vo 1408/71 recht heeft op kinderbijslag ingevolge de AKW. Artikel 77, tweede lid, aanhef en onder a, van Vo 1408/71 luidt - voor zover hier relevant - als volgt:

"Ongeacht op het grondgebied van welke Lid-Staat de rechthebbende op een pensioen of rente dan wel de kinderen wonen, worden de bijslagen toegekend volgens onderstaande regels:

a) aan de rechthebbende op pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van één enkele lidstaat, overeenkomstig de wettelijke regeling van de lidstaat welke inzake het pensioen of de rente bevoegd is."

4.2. Dit betekent dat aan appellant kinderbijslag wordt toegekend volgens de wettelijke regeling van Nederland en dat beoordeeld dient te worden of het bestreden besluit in overeenstemming is met de AKW en de daarop gebaseerde nadere regelgeving.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de AKW heeft de verzekerde voor een kind van 16 of 17 jaar - onder andere - recht op kinderbijslag indien het kind in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal. Op grond van artikel 7, leden 9 en 11, van de AKW kunnen bij ministeriële regeling nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van - onder andere - het tweede lid, onderdeel a.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling klokuren 1998 - voor zover hier relevant - heeft de verzekerde ten behoeve van een kind als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a van de AKW, indien het kind lessen of stages volgt van gemiddeld minder dan 213 klokuren per kwartaal, toch aanspraak op kinderbijslag op grond van de AKW indien:

a. het kind een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs (…) volgt;

b. het kind een andere studie of opleiding volgt dan genoemd onder a, met een studiebelasting van ten minste 1600 uur per jaar, of

c. het kind in het eindexamenjaar van een meerjarige studie of opleiding ten minste gemiddeld 162 klokuren per kwartaal lessen of stages volgt.

Ingevolge artikel 15 van de AKW is de verzekerde verplicht aan de Svb op haar verzoek alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op kinderbijslag, de hoogte van de kinderbijslag, het geldend maken van het recht op kinderbijslag of op het bedrag van de kinderbijslag, dat wordt betaald.

4.3. Bij brief van 14 november 2008 heeft de Svb aan appellant een formulier schoolverklaring met een toelichting gezonden en appellant verzocht deze formulieren te (laten) invullen en terug te zenden. Appellant heeft op de schoolverklaring geschreven dat [A.] thuisonderwijs conform de Belgische wetgeving volgt en heeft een verklaring van de Vlaamse overheid voor het schooljaar 2008-2009 overgelegd, waaruit blijkt dat [A.] is ingeschreven als leerling in huisonderwijs. Daarop heeft de Svb het besluit van 24 februari 2009 genomen. Vervolgens heeft de Svb bij brief van 2 juli 2009 om nadere informatie gevraagd, te weten welke opleiding [A.] volgt, wanneer hij eindexamen doet, hoeveel uren hij thuis studeert, van wie hij les krijgt en hoe de inspectie door het ministerie geschiedt. Appellant heeft bij brief van 12 juli 2009 geantwoord dat hij de Svb adequaat heeft geïnformeerd en dat hij daarom niet verder op het verzoek om aanvullende informatie zal ingaan.

4.4. De door de Svb gevraagde informatie sluit aan bij de criteria genoemd in 4.2. De Raad kan appellant daarom niet volgen in zijn standpunt dat het verzoek om deze informatie het bereik van artikel 15 van de AKW te buiten gaat. Uit de door appellant overgelegde informatie is niet af te leiden dat het onderwijs dat [A.] volgt voldoet aan de eisen van de AKW en de Regeling klokuren 1998. Ook uit de door appellant in hoger beroep overgelegde informatie - een algemene beschrijving van de Belgische overheid van het leerplichtonderwijs - is dat niet af te leiden. Weliswaar blijkt daaruit dat in het secundaire onderwijs 28 lesuren van 50 minuten verplicht zijn, doch niet hoeveel weken per jaar onderwijs wordt gevolgd. Het schooljaar begint op 1 september en eindigt “in de praktijk” op 30 juni. Hoeveel weken een scholier buiten de zomer vakantie heeft, blijkt niet. Ook overigens acht de Raad deze informatie te weinig op [A.] toegespitst om een besluit op grond van de AKW op te baseren. Zo is niet duidelijk welk onderwijs [A.] volgt en of het schooljaar voor [A.] ook eindigt op 30 juni.

4.5. Appellant heeft betoogd dat de Svb geen voorwaarden mag stellen aan het door [A.] te volgen onderwijs, omdat het recht op kinderbijslag voortvloeit uit het EG-verdrag en België autonoom is in het inrichten van zijn onderwijsstelsel. Het voldoen aan de Belgische leerplicht is volgens appellant voldoende. Appellant heeft gesteld, zoals hij ook bij de rechtbank heeft gedaan, dat hij een recht op kinderbijslag heeft op grond van artikel 1, sub u, ii van Vo 1408/71. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat deze bepaling een definitie geeft van kinderbijslag - een periodieke uitkering die wordt toegekend uitsluitend op grond van het aantal gezinsleden en eventueel hun leeftijd - en geen aanspraak geeft op kinderbijslag. Het recht van appellant is gebaseerd op artikel 77, tweede lid, aanhef en onder a, van Vo 1408/71. Het recht op kinderbijslag op grond van dat artikellid betreft, blijkens de tekst, een recht op kinderbijslag overeenkomstig de wettelijke regeling van de lidstaat welke inzake het pensioen of de rente bevoegd is. Mitsdien kon de Svb aan appellant het ontbreken van informatie over onder andere de klokuren tegenwerpen.

4.6. Dat op dit punt sprake zou zijn van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling in de zin van artikel 39 EG en Richtlijn 1612/68/EEG kan de Raad niet volgen. De eisen vermeld in artikel 7 van de AKW gelden ook voor verzekerden, hun kinderen en het onderwijs in Nederland. Appellant heeft gesteld dat ter zake van Nederlandse kinderen wel kinderbijslag wordt verstrekt terwijl het onderwijs dat zij volgen niet voldoet aan de wettelijke urennorm. Appellant heeft deze stelling gestaafd met een pagina uit een rapport van de inspectie van het onderwijs, waarin wordt geconstateerd dat een deel van de scholen te weinig onderwijstijd programmeert en/of realiseert. Het betreft hier evenwel een onderzoek naar de naleving van de urennorm die in de jaren 2006 tot en met 2009 gold ingevolge de Wet op het voortgezet onderwijs. Dat niet aan het klokurenvereiste van de Wet op het voortgezet onderwijs wordt voldaan - 1040 klokuren per jaar en in het examenjaar 700 klokuren - brengt niet met zich dat tevens niet aan het klokurenvereiste ingevolge de AKW van gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal is voldaan. Dat feitelijk sprake zou zijn van bevoorrechting van verzekerden van wie de kinderen in Nederland onderwijs volgen, vindt in dit rapport geen steun.

4.7. Appellant heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 13 augustus 2004, LJN AQ7509. Deze uitspraak betreft de vraag of het klokurenvereiste van gemiddeld 213 klokuren per kwartaal ook mag worden gesteld aan kinderen jonger dan 16 jaar. De Raad geeft in deze uitspraak geen oordeel over het wettelijke klokurenvereiste voor kinderen van 16 en 17 jaar, zoals [A.]. Deze uitspraak kan appellant derhalve niet baten.

4.8. Het door appellant genoemde Besluit internationale taken Svb kan hier niet aan afdoen. De Raad kan de daarin beschreven taken van de Svb niet in verband brengen met het in hoger beroep voorliggende geschil. De Raad kan Richtlijn 95/46/EG en in het bijzonder de door appellant aangevoerde artikelen 6, eerste lid, onder b en c evenmin in verband brengen met het voorliggende geschil. De bepalingen van de richtlijn zijn er op gericht de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn of worden opgenomen te reguleren. Het geschil heeft geen betrekking op de verwerking van persoonsgegevens.

4.9. Dit geding heeft evenwel slechts betrekking op appellants aanspraak op kinderbijslag ten behoeve van [A.] over het eerste kwartaal van 2009. Appellants vordering gaat buiten de omvang van dit geding en komt reeds op die grond niet voor toewijzing in aanmerking.

5. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) I.J. Penning.

JL