Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0591

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
09-6574 WWB
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY8062
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Gezamenlijke huishouding. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft appellant aannemelijk gemaakt dat in de te beoordelen periode aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De verzorging van een gemeenschappelijke pleegkind is door betrokkene en [F.] gemeenschappelijk ter hand genomen en is daardoor in de gegeven omstandigheden onlosmakelijk verweven met de wederzijdse zorg van betrokkene en [F.] voor elkaar.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 3
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/119
JWWB 2012/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6574 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2009, 08/4807 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. el Fizazi. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. A.H.G. Katz, advocaat.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme telefonische tip van 10 oktober 2007 dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met [F.], is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek verricht, informatie opgevraagd bij verschillende instanties, waarnemingen verricht en betrokkene en [F.] op 1 april 2008 verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 4 juli 2008.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor appellant aanleiding geweest om bij besluit van 24 juni 2008 de bijstand van betrokkene over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 mei 2008 (te beoordelen periode) in te trekken op de grond dat betrokkene zonder daarvan aan appellant mededeling te hebben gedaan met [F.] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Tevens heeft appellant de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.329,02 van betrokkene teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 2 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 24 juni 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het besluit van 24 juni 2008 herroepen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant terecht heeft geconcludeerd dat ten aanzien van betrokkene en [F.] vanaf 1 januari 2007 sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf. Zij heeft echter geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende grondslag vormen voor het standpunt dat betrokkene en [F.] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding met elkaar hebben gevoerd, omdat er geen sprake was van wederzijdse zorg.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat de onderzoeksgegevens onvoldoende steun bieden voor de conclusie dat sprake is van wederzijdse zorg tussen betrokkene en [F.]. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat [F.] in het geheel niet voorziet in de verzorging van betrokkene. Appellant heeft onder verwijzing naar rapportages van Bureau Jeugdzorg (BJZ) vastgesteld dat betrokkene en [F.] een netwerkpleeggezin vormden voor [B.], geboren [in] 2004 ([B.]). Uit het plan van aanpak van BJZ blijkt dat betrokkene zorgt voor de dagelijkse opvoeding van [B.], terwijl [F.] de financiële verplichtingen ten aanzien van [B.] op zich neemt. De taakverdeling binnen dit netwerkpleeggezin is overeenkomstig een traditioneel rollenpatroon. De wederzijdse zorg voor [B.] is een uitdrukking van de wederzijdse zorg voor elkaar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2. In geschil is uitsluitend de vraag of in de te beoordelen periode aan het tweede criterium, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. Deze zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate is gebleken, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een bepaald geval is voldaan.

4.3. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, heeft appellant aannemelijk gemaakt dat in de te beoordelen periode aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Dit oordeel berust op de navolgende omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien. Betrokkene heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat zij [F.] vanaf januari 2007 onderdak heeft geboden omdat hij dakloos was en dat zij af en toe voor hem wast. [F.] heeft tegenover de sociale recherche verklaard dat betrokkene voor hem de was doet, dat hij af en toe mee-eet en dat zij uit een goed hart voor [B.] en voor hem zorgt. Hij heeft verklaard dat hij probeert financieel bij te dragen aan de huishouding van betrokkene, maar dat hij daarvoor bijna nooit genoeg geld heeft. Als hij geld heeft, geeft hij betrokkene maximaal € 50,-- tot € 75,-- per maand. Verder draagt hij als boodschappengeld voor [B.] € 200,-- per maand bij. [F.] heeft aangegeven dat betrokkene het grootste deel van de verzorging en opvoeding van [B.] op zich heeft genomen, maar dat als [B.] echt ziek is hij hem verzorgt. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat de rechtbank op 10 maart 2006 BJZ tot voogdes over [B.] heeft benoemd. Uit de vervolgens door BJZ opgestelde rapportages en indicatiebesluiten blijkt dat [B.] onmiddellijk is geplaatst in het netwerkpleeggezin bestaande uit betrokkene en [F.]. In de loop van deze plaatsing heeft het Centrum voor Pleegzorg een netwerkonderzoek uitgevoerd met als positief resultaat dat het Centrum voor Pleegzorg met betrokkene en [F.] een pleegcontract heeft gesloten. De verzorging van het gemeenschappelijke pleegkind is door betrokkene en [F.] gemeenschappelijk ter hand genomen en is daardoor in de gegeven omstandigheden onlosmakelijk verweven met de wederzijdse zorg van betrokkene en [F.] voor elkaar.

4.4. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen vloeit voort dat betrokkene en [F.] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Daarom slaagt het hoger beroep en komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. Betrokkene heeft immers verder geen gronden aangevoerd tegen de intrekking en de terugvordering die uit die intrekking voortvloeit.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaard het beroep tegen het besluit van 2 oktober 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en H.J. de Mooij en E.C.R. Schut als leden in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) E. Heemsbergen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD