Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
11-816 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Buitengewoon verlof van 1 maart 2009 tot 1 mei 2009 zonder bezoldiging. De beroepsgrond van appellant dat het college geen open en reëel overleg met hem heeft gevoerd als in de vaststellingsovereenkomst is vermeld, heeft de rechtbank terecht afgewezen. Gezien ook het tijdsverloop is niet onbegrijpelijk en evenmin onjuist dat het college vervolgens tot besluitvorming is overgegaan. Het college heeft in redelijkheid kunnen weigeren appellant over de maanden maart en april 2009 bezoldiging toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/816 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 december 2010, 09/680 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van Dijkgraaf en Heemraden van het waterschap Zuiderzeeland (college)

Datum uitspraak: 29 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.C. van Kleef, juridisch adviseur. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Burger, advocaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1947, is met ingang van 1 december 2002 ontheven uit zijn functie van secretaris-directeur van het waterschap Zuiderzeeland en geplaatst in de functie van adviseur in algemene dienst. Dit is voortgevloeid uit een tussen partijen in november 2002 gesloten vaststellingsovereenkomst (overeenkomst).

1.2. De artikelen 2 en 7 van de overeenkomst luiden als volgt:

“Artikel 2

1. [Appellant] zal met ingang van 1 maart 2009 gebruik maken van de Fpu-regeling van de Stichting Pensioenfonds ABP en de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel (het zogenaamde VUT-fonds). Op die grond zal [appellant] met ingang van genoemde datum ontslag worden verleend. Door ondertekening van deze overeenkomst verplichten partijen zich tijdig de daarmee verbandhoudende verplichtingen te verrichten.

2. Tot aan de datum van het Fpu-ontslag, bedoeld in lid 1 van dit artikel, zal [appellant] 90% van diens bezoldiging ontvangen en wel op zodanige wijze dat de berekeningsgrondslag als bedoeld in de onderscheiden pensioen- en Fpu-reglementen van het pensioenfonds ABP en het VUT-fonds voor de fpu-uitkering en het ouderdomspensioen c.a. blijft afgeleid van de volledige bezoldiging van [appellant].

(…)

Artikel 7

In geval van omstandigheden die op het moment van ondertekening van deze overeenkomst door partijen niet zijn voorzien danwel konden worden voorzien, zoals wijziging in de wet- en regelgeving die direct of indirect van invloed is op de rechtspositie in deze van [appellant], onderscheidenlijk wijziging in de pensioenwetgeving en/of het Pensioenreglement van het Pensioenfonds ABP danwel de Fpu-regeling van genoemde pensioenfonds onderscheidenlijk het VUT-fonds en die ongewijzigde uitvoering van deze overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar doen zijn, danwel de uitvoering van deze overeenkomst met evenbedoelde omstandigheden of wijzigingen strijdig doet zijn, zullen partijen in open en reëel overleg een oplossing kiezen die overeenkomt met de geest en de strekking van de onderhavige overeenkomst.”

1.3. De zogenoemde spilleeftijd van appellant is als gevolg van een wijziging van het FPU-reglement verschoven en ten gevolge daarvan zou per 1 maart 2009, het moment waarop appellant ontslag zou krijgen, de FPU-uitkering lager zijn dan hetgeen partijen destijds mochten verwachten. In zijn uitspraak van 23 oktober 2008, LJN BG3709, heeft de Raad in een eerder geding tussen partijen overwogen dat de gemachtigde van appellant heeft gesteld dat door deze verschuiving het FPU-percentage slechts 75 zou zijn, waar eerder werd uitgegaan van 93,3. De Raad overwoog in die uitspraak voorts dat, als de gevolgen van het verschuiven van de spilleeftijd inderdaad van dien aard zijn, de stelling van appellant wordt onderschreven dat er omstandigheden zijn die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat partijen een oplossing kiezen die overeenkomt met de geest van de overeenkomst. De Raad was daarom van oordeel dat het college een te beperkte uitleg aan artikel 7 van de overeenkomst heeft gegeven, waar het college heeft gesteld dat slechts in geval de FPU- of VUT-regelingen geheel zouden worden afgeschaft, er aanleiding is om toepassing te geven aan genoemd artikel. Het college heeft met betrekking tot dit punt dus een onvoldoende zorgvuldig onderzoek verricht, zo oordeelde de Raad. Dat appellant eerder, ook in bezwaar en in een later verzoek om terug te komen van het betrokken besluit, slechts in algemene termen heeft aangegeven dat er ernstige gevolgen waren, deed aan die onderzoeksplicht niet af. Ook het feit dat appellant destijds ter compensatie van het gemis aan pensioenopbouw in verband met gebruikmaking van de FPU-regeling € 25.000,- bruto heeft ontvangen, bracht volgens de Raad niet mee dat zonder meer vast staat dat het college geen toepassing hoeft te geven aan de hardheidsclausule, zoals die is neergelegd in artikel 7 van de overeenkomst.

1.4. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college getracht tot een minnelijke oplossing met appellant te komen. Daartoe heeft het college bij brief van 2 maart 2009 aan appellant het volgende voorstel gedaan, onder de mededeling dat dit voorstel vervalt als appellant dit niet uiterlijk op 6 maart 2009 om 12.00 uur heeft aanvaard:

1. Aan appellant wordt per 1 mei 2009 eervol FPU-ontslag verleend.

2. Tot 1 mei 2009 wordt aan appellant 90% van zijn laatstgenoten bezoldiging doorbetaald.

3. Partijen verlenen elkaar over en weer algehele en finale kwijting.

1.5. Bij brief van 9 maart 2009 heeft appellant het college hierop bericht dat hij de punten 1 en 2 uit het voorstel aanvaardt. Met punt 3 heeft hij evenwel slechts ingestemd onder de uitdrukkelijke beperking dat het college hem de in redelijkheid gemaakte kosten voor juridische bijstand in deze aangelegenheid volledig vergoedt.

1.6. Bij brief van 17 maart 2009 heeft het college appellant meegedeeld dat het voorstel van 2 maart 2009 is vervallen, dat appellant ingaande 1 mei 2009 wordt ontslagen en dat hem van 1 maart 2009 tot 1 mei 2009 buitengewoon verlof wordt verleend met volledige inhouding van zijn bezoldiging.

1.7. Hierna heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2008 op 26 maart 2009 het bestreden besluit genomen. In dit besluit is opgemerkt dat, omdat de poging een oplossing in der minne te bereiken geen resultaat heeft gehad, een nieuwe beslissing op bezwaar wordt genomen. Het verzoek van appellant om compensatie is, onder gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar, ingewilligd op een wijze als in de brief van 17 maart 2009 vermeld.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Het geschil tussen partijen betreft het besluit van het college om appellant voor de duur van het buitengewoon verlof van 1 maart 2009 tot 1 mei 2009 geen bezoldiging toe te kennen. Het college heeft gesteld dat dit besluit al is vervat in zijn onder 1.6 vermelde brief van 17 maart 2009 en dat appellant daartegen niet tijdig een rechtsmiddel heeft aangewend. De rechtbank heeft deze stelling terecht en op goede gronden van de hand gewezen. De Raad voegt hieraan nog toe dat in de brief van 17 maart 2009 is meegedeeld dat ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 23 oktober 2008 op korte termijn separaat een nieuwe beslissing op bezwaar zal worden genomen. Niet ten onrechte heeft appellant deze beslissing afgewacht voor beroep in te stellen.

3.2. De beroepsgrond van appellant dat het college over deze aangelegenheid geen open en reëel overleg met hem heeft gevoerd als in artikel 7 van de overeenkomst vermeld, heeft de rechtbank terecht afgewezen. Immers, bij de onder 1.4 vermelde brief van 2 maart 2009 heeft het college appellant een voorstel gedaan dat hem ten zeerste tegemoetkwam. Appellant heeft echter om hem moverende redenen niet (ten volle) met dit voorstel ingestemd en ook niet om verder overleg tussen partijen verzocht. Gezien ook het tijdsverloop is niet onbegrijpelijk en evenmin onjuist dat het college vervolgens tot besluitvorming is overgegaan.

3.3. De verschuiving van de ontslagdatum met twee maanden brengt mee dat de FPU-uitkering van appellant (nagenoeg) even hoog is als partijen bij het aangaan van de overeenkomst mochten verwachten. Van belang is hierbij nog dat de voor appellant nadelige wijziging van het FPU-reglement geheel buiten het college is om gegaan en dat deze wijziging in beginsel voor risico en rekening van appellant komt. Bij het aangaan van de overeenkomst mocht het college verwachten dat het niet tot 1 maart 2009 salaris verschuldigd zou zijn. Appellant had bovendien al een ruim aantal jaren 90% van zijn bezoldiging ontvangen zonder dat hij daarvoor arbeid behoefde te verrichten. Onder deze omstandigheden en in het licht van de strenge maatstaf van artikel 7 van de overeenkomst is de Raad van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren appellant over de maanden maart en april 2009 bezoldiging toe te kennen.

3.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Reeds gelet hierop moet het verzoek van appellant om het college met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van geleden schade, worden afgewezen.

5. Tot slot zijn geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek het college te veroordelen tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

HD