Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
11-390 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing uit functie en overplaatsing. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de onder leiding van de mediator gemaakte afspraken niet rechtsgeldig waren omdat appellant die overeenkomst onder een zodanige psychische druk heeft getekend, dat in feite geen sprake is geweest van wilsovereenstemming. Ook anderszins is niet gebleken dat het dagelijks bestuur de voorwaarden niet aan appellant mocht opleggen. Het dagelijks bestuur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het dienstbelang vereiste dat appellant uit zijn functie werd ontheven. Dat belang mocht zwaarder wegen dan het belang van appellant bij behoud van zijn functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/390 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2010, 09/5034 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 29 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J. Lamme. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.D.L.M. Schruer, advocaat, en T. de Haan.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, destijds aangesteld in de functie van bevelvoerder bij de Brandweer Amsterdam-Amstelland, kreeg door omstandigheden in de privésfeer in het voorjaar van 2007 te kampen met spanningsklachten. Na een oefening in mei 2007, waarbij het optreden van appellant als onvoldoende was beoordeeld, heeft appellant zich ziek gemeld. Vervolgens is er in augustus 2007 met appellant een coachings-/begeleidingstraject afgesproken, dat in verband met arbeidsongeschiktheid van appellant eerst in mei 2008 kon worden gestart. Kort daarna is dit traject weer stopgezet, nadat appellants optreden tijdens een oefening bij het Brandweer Opleidingscentrum in juni 2008 wederom als onvoldoende was beoordeeld. De kazernemanager achtte het om veiligheidsredenen niet langer verantwoord om appellant als bevelvoerder te laten functioneren.

1.2. Vanaf augustus 2008 heeft appellant vervangende werkzaamheden verricht bij de afdeling BBA (Brandkranen, Aanvalsplannen en Bereikbaarheid). Tevens is opnieuw gesproken over terugkeer van appellant in zijn functie en heeft er mediation plaatsgevonden. In februari 2009 zijn er onder leiding van de mediator afspraken gemaakt over de wijze waarop appellant in zijn functie kon terugkeren. Overeengekomen is onder meer dat appellant voordat hij zijn werk als bevelvoerder zou kunnen hervatten, een “examen middenkader” (MKO) met voldoende resultaat diende te hebben afgelegd. Appellant heeft zijn vervangende werkzaamheden voortgezet en daarnaast enkele trainingen gevolgd.

1.3. Na terugkeer van zijn vakantie op 4 juni 2009 heeft appellant zich bij de kazerne gemeld en verzocht per direct weer als bevelvoerder in de uitrukdienst te worden tewerkgesteld. Nadat appellant was medegedeeld dat hij zich diende te melden bij BBA om zijn vervangende werkzaamheden te verrichten, is hij naar huis gegaan. Appellant wenste geen vervangende werkzaamheden meer te verrichten, maar zijn eigen werk.

1.4. Bij besluit van 10 juni 2009 is appellant medegedeeld dat hij niet meer in de uitrukdienst wordt tewerkgesteld en dat er intern een herplaatsingsonderzoek zal worden gestart naar passende arbeid buiten de uitrukdienst; in de tussentijd wordt appellant belast met tijdelijke werkzaamheden bij BBA. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 5 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van dusdanig dienstbelang dat overplaatsing van appellant naar een functie buiten de uitrukdienst gerechtvaardigd is dan wel dat terugkeer van appellant in zijn oude functie van bevelvoerder redelijkerwijs niet mogelijk is.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De rechtbank heeft terecht voorop gesteld dat het bestreden besluit twee componenten bevat, namelijk de ontheffing van appellant uit zijn functie van bevelvoerder enerzijds en het opdragen van een nieuwe functie anderzijds. Ook heeft de rechtbank met juistheid vastgesteld dat in het onderhavige geding de nadruk ligt op de ontheffing.

3.2. Het dagelijks bestuur is tot ontheffing overgegaan, nadat appellant zich op 4 juni 2009 meldde op de kazerne om daar zijn functie van bevelvoerder weer uit te oefenen. Daarmee schond appellant de afspraken, zoals neergelegd in de op 13 februari 2009 ondertekende overeenkomst. Uit mededelingen van appellants toenmalige gemachtigde aan het dagelijks bestuur leidt de Raad af dat deze “actie” was ingegeven omdat appellant nog immer meende dat de op 13 februari 2009 gemaakte afspraken niet rechtsgeldig waren en dat een wettelijke basis om hem andere werkzaamheden op te dragen, ontbrak.

3.3. De Raad volgt appellant hierin niet en onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat niet gezegd kan worden dat appellant die overeenkomst onder een zodanige psychische druk heeft getekend, dat in feite geen sprake is geweest van wilsovereenstemming. Ook anderszins is de Raad niet gebleken dat het dagelijks bestuur deze voorwaarden niet aan appellant mocht opleggen. Hierbij wijst de Raad erop dat appellant heeft erkend dat zijn functioneren in 2007 en 2008 onvoldoende is geweest en dat hij, ondanks het feit dat hij vanaf 2 februari 2009 op medische gronden niet ongeschikt werd geacht voor zijn eigen functie, niet direct weer inzetbaar was omdat hij de voor de functie benodigde basisvaardigheden niet meer voor de volle 100% beheerste en dat hij in verband hiermee training en scholing diende te volgen. Vervolgens is de overeenkomst van 13 februari 2009 tot stand gekomen, waarbij appellant ermee akkoord is gegaan dat hij zijn functie van bevelvoerder vooralsnog niet zou uitoefenen. Het feit dat appellant formeel die functie nog vervulde, neemt niet weg dat er bij appellant geen misverstand over kon bestaan dat hervatting in die functie toen niet tot de mogelijkheden behoorde.

3.4. Niettemin heeft appellant zich bij de kazerne gemeld om in zijn eigen functie te hervatten op een moment dat hij nog niet aan de voorwaarden daarvoor had voldaan. Voor de stelling van appellant dat die melding slechts ten doel had het dagelijks bestuur erop te attenderen dat het niet reëel meewerkt aan de terugkeer van appellant, is in het dossier geen bevestiging te vinden. Evenmin bevat het dossier aanwijzingen dat het dagelijks bestuur daaraan onvoldoende medewerking heeft verleend.

3.5. Het dagelijks bestuur heeft uit de opstelling van appellant op 4 juni 2009 kunnen afleiden dat appellant niet (meer) wilde meewerken aan uitvoering van de overeenkomst van 13 februari 2009 en dat appellant als gevolg daarvan niet kon gaan voldoen aan de, ook door appellant onderschreven, noodzakelijke vaardigheidseisen om de functie van bevelvoerder te kunnen uitoefenen. Hierdoor was terugkeer van appellant in zijn eigen functie niet mogelijk en kon het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat het dienstbelang vereiste dat appellant uit zijn functie werd ontheven. Dat belang mocht zwaarder wegen dan het belang van appellant bij behoud van zijn functie. Hierbij tekent de Raad aan dat appellant zijn FLO-rechten heeft behouden.

3.6. Bij besluit van 10 juni 2009 is appellant, in afwachting van de resultaten van een intern herplaatsingsonderzoek, belast met tijdelijke werkzaamheden bij BBA. Ter zitting is gebleken dat appellant tegen dit onderdeel van het bestreden besluit geen zelfstandige beroepsgronden aanvoert, doch de juistheid daarvan slechts betwist omdat in zijn ogen de ontheffing uit zijn functie ten onrechte heeft plaatsgevonden. Gelet op het daarover gegeven oordeel van de Raad omtrent de ontheffing behoeft dit onderdeel van het bestreden besluit dus verder geen bespreking.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

HD