Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
11-1312 WIA + 11 -1313 WIA + 11-2377 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Toekenning IVA-uitkering. Ingangsdatum. Uit de medische stukken is niet gebleken dat er al in een eerder stadium sprake van was dat de volledige arbeidsongeschiktheid blijvend was. De verzekeringsartsen hebben in hun rapportages een voldoende concrete en individuele onderbouwing gegeven van de verwachting dat er nog een meer dan geringe kans op herstel van de functionele mogelijkheden van appellante bestond. De omstandigheid dat de behandelingen van appellante, achteraf bezien, geen verbetering hebben gebracht, is geen grond om aan te nemen dat de door de verzekeringsartsen aangegeven verwachting die ten tijde in dit geding van belang bestond voor onjuist moet worden gehouden. Nu bij beslissing op bezwaar III het dagloon nader is vastgesteld worden de bestreden besluiten I en II, alsmede de aangevallen uitspraak, alle voor wat betreft de hoogte van het dagloon, vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/1312 WIA + 11/1313 WIA + 11/2377 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 februari 2011, 10/193 + 10/6221 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.M. van Dijk-Opstal hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk-Opstal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 29 mei 2009 heeft het Uwv appellante per 29 mei 2009 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsongeschikten (WGA-uitkering) op basis van een volledige arbeidsongeschiktheid en een uitkeringspercentage van 75, berekend naar een dagloon van € 55,30.

Bij besluit van 1 december 2009 (bestreden besluit I) is het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

1.2. Bij besluit van 23 maart 2010 is het WGA-uitkeringspercentage per 21 januari 2010 verhoogd naar 85.

Bij besluit van 26 augustus 2010 (bestreden besluit II) is het bezwaar gegrond verklaard en is appellante per 21 januari 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering wegens volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid (IVA-uitkering), berekend naar hetzelfde dagloon.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ’s-Gravenhage de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat - voor zover relevant - het Uwv terecht niet al vanaf 29 mei 2009 een IVA-uitkering heeft toegekend. Het medisch onderzoek is zorgvuldig verricht en de verzekeringsartsen hebben overtuigend uiteengezet waarom zij ervan uit mochten gaan dat appellantes belastbaarheid zou verbeteren. Er waren nog behandelingen mogelijk. Nu er wel een volledige WGA-uitkering is toegekend, heeft de rechtbank de juistheid van de Functionele Mogelijkheden Lijst en de geschiktheid van de geduide functies niet besproken. De rechtbank achtte het dagloon niet onjuist vastgesteld.

3.1. Hangende het hoger beroep heeft het Uwv bij (aanvullend) besluit van 25 maart 2011 (bestreden besluit III) het dagloon vastgesteld op € 109,24. Bij brief van 13 april 2011 heeft appellante aangegeven hiermee in te stemmen en haar grieven ter zake ingetrokken.

3.2. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank inzake de ingangsdatum van de IVA-uitkering bestreden. Ze heeft hiertoe aangevoerd dat er ten onrechte vanuit is gegaan dat nog verbetering mogelijk was. Het Uwv is pas op 21 januari 2010 tot het inzicht gekomen dat er sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Uit de stukken blijkt echter dat er vanaf 29 mei 2009 al sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Daarom had haar per die datum een IVA-uitkering toegekend moeten worden.

Voorts is appellante het niet eens met de hoogte van de nabetaling.

4.1. Ter zitting van de Raad hebben partijen aangegeven dat de Raad zich niet hoeft uit te laten over de hoogte van de nabetaling omdat zij hier samen uitkomen. De Raad zal dit punt dan ook verder onbesproken laten.

4.2. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het Uwv de ingangsdatum van de IVA-uitkering op juiste wijze heeft vastgesteld op 21 januari 2010.

4.3. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.

4.4. De Raad beantwoordt de onder 4.2 geformuleerde vraag bevestigend en overweegt daartoe dat hij - evenals de rechtbank - van oordeel is dat uit de medische stukken niet is gebleken dat er al in een eerder stadium sprake van was dat de volledige arbeidsongeschiktheid blijvend was. Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsartsen in hun rapportages, waarbij zij zijn ingegaan op de aard van appellantes beperkingen en de door appellante nog te volgen behandelingen, een voldoende concrete en individuele onderbouwing gegeven van de verwachting dat er nog een meer dan geringe kans op herstel van de functionele mogelijkheden van appellante bestond. De Raad verwijst naar het rapport van revalidatiearts H.J. Azwert van 11 januari 2010, waarin deze aangeeft dat poliklinische revalidatie nuttig zal zijn om haar effectiever met haar klachten te laten omgaan en haar belastbaarheid te verhogen.

De omstandigheid dat de behandelingen van appellante, achteraf bezien, geen verbetering hebben gebracht, is geen grond om aan te nemen dat de door de verzekeringsartsen aangegeven verwachting die ten tijde in dit geding van belang bestond voor onjuist moet worden gehouden.

5.1. Gelet op het hetgeen is overwogen in 4.4 slaagt het hoger beroep voor wat betreft de ingangsdatum van de IVA-uitkering niet. De aangevallen uitspraak dient op dat onderdeel te worden bevestigd.

5.2. Nu bij beslissing op bezwaar III het dagloon nader is vastgesteld ziet de Raad aanleiding de bestreden besluiten I en II, alsmede de aangevallen uitspraak, alle voor wat betreft de hoogte van het dagloon, te vernietigen. De Raad ziet redenen het Uwv te veroordelen in de door appellante in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.748,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover er geen IVA-uitkering is toegekend per

29 mei 2009;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor wat betreft de hoogte van het dagloon;

Vernietigt de besluiten van 1 december 2009 en 26 augustus 2010 voor wat betreft de hoogte van het dagloon;

Verklaart de beroepen in zoverre gegrond;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.748,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) G.J. van Gendt.

JL