Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0493

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
10-5987 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Geen aanknopingspunten om de bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Met de klachten van betrokkene ten gevolge van contactallergie, voor zover objectiveerbaar, is in voldoende mate rekening gehouden. Na aanpassing van de FML wat betreft de fysieke omgevingseisen, waarbij direct contact met fragrance producten dient te worden vermeden worden de geduide functies geschikt geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5987 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 september 2010, 10-1000 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], [naam gemeente] (betrokkene).

Datum uitspraak: 30 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. Severijn.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Op verzoek van de Raad heeft appellant nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, voorheen werkzaam als verkoopster [naam winkel] voor 20 uur per week, heeft zich met ingang van

26 maart 2007 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met psychische en perceptieve klachten. Bij besluit van 16 juli 2009 heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), onder de overweging dat zij na afloop van de voor haar geldende wachttijd, op 23 maart 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. In de bezwaarfase is betrokkene onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts. Mede op basis van de psychologische expertise van gezondheidszorg psycholoog J.H. Poelstra van 13 augustus 2008 en de expertise van internist

D.W.M. Verhagen van 17 december 2009 constateerde deze arts dat betrokkene fysiek niet beperkt moet worden geacht ten aanzien van het onderdeel stof, rook, gassen en dampen. Wel heeft de bezwaarverzekeringsarts betrokkene beperkt geacht ten aanzien van het onderdeel ‘inzicht in eigen kunnen’. In lijn hiermee heeft de bezwaarverzekeringsarts de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de functie van brugwachter, sluiswachter laten vervallen. Voor het overige heeft de bezwaararbeidsdeskundige geen aanleiding gezien om af te wijken van het oordeel van de arbeidsdeskundige.

Vervolgens heeft appellant het tegen het besluit van 16 juli 2009 gemaakte bezwaar bij besluit van 20 januari 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.3. In verband met de in beroep overgelegde informatie van dermatoloog dr. M.M.H.M. Meinardi van 22 februari 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts betrokkene aanvullend beperkt geacht ten aanzien van (direct) contact met fragrance producten. In verband hiermee heeft de bezwaarverzekeringsarts in de FML van 27 april 2010 een beperking opgenomen inzake direct huidcontact met flagrancemix 1, linalool, benzylcinnamate, hexylcinnamic aldehyde, amylcinnamaldehyde, dipentene en ook moss absolute (onderdeel 3.4.1.). Het vervolgens overgelegde rapport van Meinardi van 17 mei 2010 leidde bezwaarverzekeringsarts niet tot een verdere aanpassing van de FML.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, onder overweging dat het medisch onderzoek onzorgvuldig en onvolledig is geweest. De rechtbank heeft het rapport van dermatoloog Meinardi van 22 februari 2010 aldus begrepen, dat als gevolg van overgevoeligheid voor de daarin genoemde stoffen niet slechts een huidreactie hoeft op te treden, maar ook dat de door betrokkene geclaimde klachten daardoor kunnen worden veroorzaakt. De rechtbank overwoog dat, wanneer die conclusie juist is, de hoofdpijn-, misselijkheids- en concentratieklachten van betrokkene toch zijn toe te schrijven aan een objectiveerbare ziekte, te weten een contactallergie. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv zich zonder nader onderzoek naar de juistheid van deze conclusie niet zonder meer op het standpunt kon blijven stellen dat er geen objectiveerbaar verband is tussen de klachten van betrokkene en overgevoeligheid voor bepaalde stoffen.

3.1. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Appellant heeft zich, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 3 december 2010 op het standpunt gesteld dat, onder meer na allergologisch onderzoek, in bezwaar geen afdoende verklaring bleek voor de hoofdpijn- en concentratieklachten van betrokkene. Voorts stelde de bezwaarverzekeringsarts bij eigen medisch onderzoek geen cognitieve stoornissen of verschijnselen van hoofdpijn vast. De bezwaarverzekeringsarts vermeldt dat naar aanleiding van de informatie van dermatoloog Meinardi, waarbij overgevoeligheid voor fragrance producten bleek, in de FML van 27 april 2010 een aanvullende beperking is aangenomen voor direct contact met fragrance producten. De bezwaarverzekeringsarts heeft erop gewezen dat de aanvullende reactie van

10 augustus 2010, van dermatoloog dr. A. Soe Janssens namens Meinardi, zijn zienswijze bevestigt. De bezwaarverzekeringsarts acht de veronderstelling van de rechtbank, dat de klachten van hoofdpijn, misselijkheid of concentratieverlies ook typisch zouden passen bij een contactallergie, onjuist. De bezwaarverzekeringsarts onderschrijft overigens de visie van dermatoloog Meinardi dat een ruimte vol fragrance producten vermeden dient te worden, om de atypische klachten van hoofdpijn, misselijkheid of typische contactallergische reacties (zoals eczeem) te voorkomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat bij geen van de geduide functies sprake is van blootstelling aan de producten waarvoor betrokkene overgevoelig is.

3.2. Betrokkene heeft in verweer opgemerkt dat het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts niet overeenstemt met de conclusies van Meinardi. Betrokkene is van mening dat de geduide functies niet passend zijn en dat er geen deugdelijk onderzoek is gedaan door de bezwaararbeidsdeskundige. Betrokkene heeft aangevoerd dat de geduide functies niet passend zijn in verband met het werken met wasmiddelen, het gebruik van bestrijdingsmiddelen, het werken met handschoenen en de blootstelling aan hout en houtstof.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In zijn rapportage van 13 november 2009, aangevuld op 13 januari 2010, heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat na allergologisch onderzoek geen lichamelijke pathologie kon worden vastgesteld en met name geen ziektebeeld dat binnen de reguliere geneeskunde erkend kan worden. De bezwaarverzekeringsarts heeft dan ook geen (verdergaande) beperkingen aangenomen ten aanzien van de door betrokkene geclaimde overgevoeligheidsklachten. Naar aanleiding van de in beroep overgelegde medische informatie van dermatoloog Meinardi inzake de allergie van betrokkene voor fragranceproducten, heeft de bezwaarverzekeringsarts betrokkene meer beperkt geacht ten aanzien van (direct) contact met die producten. In de rapportage van 8 juni 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts nogmaals benadrukt dat contactallergische verschijnselen zoals huiduitslag bij betrokkene niet zijn waargenomen en dat haar klachten hier ook niet bij passen.

4.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank een te vergaande conclusie heeft geformuleerd inzake het mogelijk verband tussen de overgevoeligheid voor de door dermatoloog Meinardi genoemde stoffen en de door betrokkene geclaimde hoofdpijn-, misselijkheids- en concentratieklachten. De Raad onderschrijft in dit verband het in hoger beroep gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in haar rapportage van 3 december 2010. Daarin heeft zij overtuigend aangegeven dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen onderzoek is gedaan naar de klachten van hoofdpijn, misselijkheid of concentratieverlies de volgens de rechtbank zouden kunnen passen bij een contactallergie (overgevoeligheid). Zowel in de Ziektewetperiode als bij het onderzoek van de verzekeringsarts en bij haar eigen onderzoek zijn deze klachten en verschijnselen niet vastgesteld. De Raad ziet geen aanknopingspunten om de bevindingen en conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Met de klachten van betrokkene ten gevolge van contactallergie, voor zover objectiveerbaar, is in voldoende mate rekening gehouden.

4.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige in beroep op 26 mei 2010 een nadere rapportage heeft uitgebracht waarin de bezwaararbeidsdeskundige, ook na aanpassing van de FML wat betreft de fysieke omgevingseisen, waarbij direct contact met fragrance producten dient te worden vermeden (onderdeel 3.4.1.), de geduide functies geschikt geacht. De Raad is van oordeel dat met deze nadere rapportage, gelet ook op de toelichting daarop in hoger beroep van 25 mei 2011 naar aanleiding van het verweerschrift, een deugdelijke motivering van de passendheid van de functies is verstrekt.

4.4. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit eerst in beroep en in hoger beroep van een voldoende motivering zijn voorzien en het bestreden besluit daarom door de rechtbank op zich, zij het op onjuiste gronden, terecht is vernietigd.

De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geheel in stand worden gelaten.

5. Ten slotte ziet de Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij appellant is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) K.E. Haan.

JL