Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0492

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
10-5628 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit, mede in het licht van de conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, en de benoeming van een mannelijke deskundige anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad voegt daar wat betreft de benoeming van de deskundige aan toe dat de medische en andere gegevens, die uit het dossier naar voren komen, geen aanknopingspunten bevatten voor de conclusie dat in dit geval een deskundigenonderzoek door uitsluitend een vrouwelijke psychiater aangewezen was. Voldoende taalvaardigheid om de geduide functies te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5628 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 september 2010, 09/2648 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012.

Namens appellante is verschenen mr. M.S. Yap, kantoorgenoot van mr. Bronsveld. Voor het Uwv verscheen

mr. W.P.F. Oosterbos.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als productiemedewerkster toen zij zich op 12 maart 2007 ziek meldde vanwege psychische klachten.

2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 26 november 2008 onderzocht door de verzekeringsarts C. Braet. In haar rapport van dezelfde datum heeft deze arts een uitgebreide anamnese en het psychisch onderzoek van appellante beschreven, De verzekeringsarts stelde de diagnose depressieve episode, matig ernstig, met vitale kenmerken en concludeerde dat er als gevolg van een aanzienlijk verminderde psychische draagkracht beperkingen bestaan ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Deze beperkingen werden vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst FML). Volgens de verzekeringsarts sloot, blijkens een door haar op 14 januari 2009 geplaatste penaantekening op een brief van de behandelende psychiater G. de Bruyn van dezelfde datum, waarin melding werd gemaakt van de problematiek van appellante in verband met het conflict met haar ex-echtgenoot en van een nog niet adequaat medicamenteus behandelde depressieve stoornis, deze brief aan bij de bevindingen van haar onderzoek. Bij het arbeidskundig onderzoek werd na functieduiding vastgesteld dat er een loonverlies van 17,67% was. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 19 januari 2009 vast dat voor appellante met ingang van 9 maart 2009 geen recht was ontstaan op een Wet WIA-uitkering.

3.1. In de bezwaarprocedure heeft appellante nadere informatie van psychiater De Bruyn van 5 maart 2009 en een behandelverslag van psychiater J.J. van de Putte over een opname van haar van 23 januari tot en met 30 januari 2009 in het Lievensberg ziekenhuis te Bergen op zoom overgelegd. De Bruyn schreef dat de hoofddiagnose een ernstige depressieve stoornis was, gecompliceerd door de verstoorde relatie met de ex-echtgenoot. Van de Putte schreef dat de ontslagdiagnose een dysthyme stoornis was en dat sprake was van niet meewerken aan de behandeling. In de begeleidende brief bij het behandelverslag betwijfelde Van de Putte dat, ondanks de traumatische voorgeschiedenis van appellante, sprake was “van een hard psychiatrisch ziektebeeld anders dan chronisch ongenoegen (dysthymie)”. De bezwaarverzekeringsarts

J.T.J.A. Klijn kende in een rapport van 28 april 2009, na weging van alle beschikbare medische gegevens, bij zijn oordeelsvorming het grootste gewicht toe aan de visie van Van de Putte die meer gelegenheid had tot observatie dan de Bruyn, en onderschreef de FML.

3.2. De bezwaararbeidsdeskundige J.C.G. Kalthof liet in een rapport van 26 mei 2009 de SBC-codes 111334 (medewerker interne dienst) en 111180 (productiemedewerker bedrading) vervallen in verband met de functie-eis dat de functionaris Nederlands kan lezen. Hij herberekende bij een gewijzigde functieduiding het loonverlies voorts op 21,24%. Omdat appellante in Turkije basisonderwijs heeft gevolgd, achtte hij de resterende functies voor appellante toegankelijk. Bij besluit van 28 mei 2009 verklaarde het Uwv vervolgens het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 januari 2009 ongegrond.

4.1. De rechtbank benoemde in de beroepsprocedure tegen het besluit van 28 mei 2009 (bestreden besluit), mede naar aanleiding van het verhandelde op haar zitting van 23 november 2009, de psychiater W. Eland als deskundige voor het instellen van een onderzoek en wees op 18 januari 2010 het verzoek namens appellante om een vrouwelijke psychiater te benoemen af. Daarbij gaf de rechtbank aan dat naar haar oordeel de aard van de klachten van appellante het niet onmogelijk maakte om mee te werken aan het onderzoek.

4.2. De deskundige beschreef in zijn rapport van 22 februari 2010 de speciële en algemene anamnese, de medische gegevens uit het dossier en - met toestemming van betrokkene - een kort gesprek met de heer J.C. Vaders, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, die appellante naar het onderzoek begeleidde. De deskundige vermeldde in zijn beschouwing dat appellante bij het onderzoek niet bereid was inzicht te geven in de achtergronden van haar klachten en dat ook volgens de hetero-anamnestische bronnen objectieve gegevens ontbraken over haar ongelukkige huwelijksrelatie en de problemen daarna. Eland concludeerde dat de verre van optimale medewerking van appellante samenhing met weerzin bij haar inzake confrontatie met traumatische gebeurtenissen, hetgeen kon duiden op vermijding. In dit verband was volgens Eland, gezien presentatie en aard van de klachten, naast vooral een dysthyme stoornis sprake van elementen van een posttraumatische stressstoornis. Als uitgestelde diagnose vermeldde Eland vragenderwijs cluster-B persoonlijkheidsproblematiek met theatrale kenmerken. Eland beschreef de beperkingen van appellante onder stresserende omstandigheden en in probleemsituaties en onderschreef de FML. Voorts achtte hij appellante op de datum in geding in staat de geduide functies te vervullen.

4.3. De psychiater De Bruyn schreef op 23 maart 2010 in reactie op het rapport van Eland dat door hem en appellante de anamnestische gegevens en de diagnostische overwegingen daarin worden herkend en begrepen. Dit gold echter niet voor de door Eland gestelde mogelijkheid van een persoonlijkheidsstoornis. Tevens wees De Bruyn, ondanks de vermijding van appellante ten aanzien van het traumatische deel van haar leven, op zijn bekendheid met ook recente feiten en omstandigheden ten aanzien hiervan. In het licht van alle anamnestische gegevens en de diagnostische overwegingen kon De Bruyn zich niet verenigen met de conclusie dat appellante in staat moest worden geacht tot voltijdse arbeid.

4.4. In een nader rapport van 21 juni 2010 vermeldde Eland dat er over de aard van de problemen bij appellante, de bevindingen en de diagnostiek geen feitelijke en essentiële verschillen van mening bestaan. Voorts was zijns inziens op grond van de bevindingen het overwogen van een persoonlijkheidsstoornis gerechtvaardigd maar heeft hij daarover geen conclusie getrokken. Het verschil van inzicht betreft, aldus de deskundige, de reikwijdte van de beperkingen en in dit verband handhaafde hij, gezien de diagnostische bevindingen, zijn uitspraak over beperkingen en belastbaarheid op basis van de FML.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond.

5.2. De rechtbank overwoog uitvoerig over het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts en over het onderzoek van de deskundige. Het komt er - kort gezegd - op neer dat zij de medische grondslag van het bestreden besluit en de medische geschiktheid van de in de bezwaarprocedure overgebleven functies, mede gelet op het rapport van de deskundige en op diens nader rapport naar aanleiding van de reactie van De Bruyn, kon onderschrijven.

5.3. Wat betreft de arbeidskundige grond over de taalvaardigheid van appellante in relatie tot de overgebleven functies onderschreef de rechtbank de reactie van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 september 2009. Deze reactie hield in dat appellante in Turkije basisonderwijs heeft gevolgd, dat zij na langdurig verblijf in Duitsland sedert 2004 in Nederland heeft gewoond en gewerkt, dat appellante weliswaar beperkt taalvaardig is in het Nederlands maar dat zij, gezien haar opleiding kan lezen en schrijven en schriftelijke informatie kan verwerken. Voorts wees de bezwaararbeidsdeskundige erop dat het in die functies gaat om schriftelijke informatie over aantallen, namen, adressen, cijfers en symbolen en dat Nederlands kunnen lezen in die functies niet is vereist.

6. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep voorgedragen gronden tegen het onderzoek door een mannelijke deskundige en de conclusies van dit onderzoek in essentie herhaald. Voorts handhaafde appellante uitdrukkelijk haar eerdere gronden verband houdende met haar beperkte kennis van de Nederlandse taal, en verwees zij voor het overige naar de eerder voorgedragen arbeidskundige gronden.

7.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over de medische grondslag van het bestreden besluit, mede in het licht van de conclusies van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, en de benoeming van een mannelijke deskundige anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad voegt daar wat betreft de benoeming van de deskundige aan toe dat de medische en andere gegevens, die uit het dossier naar voren komen, geen aanknopingspunten bevatten voor de conclusie dat in dit geval een deskundigenonderzoek door uitsluitend een vrouwelijke psychiater aangewezen was. De Raad wijst er in dit verband op dat de behandelende psychiater van appellante eveneens een man is en dat zij naar het onderzoek van de deskundige begeleid is door een mannelijke sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Wat betreft de conclusies van de deskundige zijn ook de Raad geen bijzondere feiten of omstandigheden gebleken die aanleiding zouden moeten geven om in dit geval af te wijken van de in zijn vaste rechtspraak geformuleerde hoofdregel dat de bestuursrechter in beginsel de conclusies van een door hem ingeschakelde deskundige volgt.

7.2. Wat betreft de arbeidskundige grond tegen het bestreden besluit welke ziet op de taalvaardigheid, heeft de Raad noch in de arbeidsmogelijkhedenlijst noch in het Resultaat functieselectie van de drie overgebleven functies aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de conclusie van de rechtbank op dit aspect op basis van het arbeidskundig rapport van

18 september 2009, zoals weergegeven in overweging 5.3, niet aansluit bij de kennis en kunde van appellante, die gezien haar opleiding en werkervaring redelijkerwijs verondersteld mogen worden bij haar aanwezig te zijn. Wat betreft de overige arbeidskundige gronden sluit de Raad aan bij hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen.

7.3. De overwegingen 7.1 en 7.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) Z. Karekezi.

TM