Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0490

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
11-6037 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WAO-uitkering (35-45%). Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6037 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2011, 11/1021 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 30 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Knigge.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 5 juli 2010 heeft het Uwv appellante per 3 juli 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

1.2. Bij besluit van 11 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat - voor zover van belang - het onderzoek naar de beperkingen van appellante zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De beperkingen zijn op juiste wijze weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en uitgaande van de juistheid van de FML zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies passend.

3. In hoger beroep heeft appellante haar stelling dat haar beperkingen niet juist zijn ingeschat herhaald. Zij is van mening dat zij wegens haar slaapproblematiek meer is beperkt dan is weergegeven in de FML. Ze slaapt maar een paar uur per nacht en ondanks vele pogingen daartoe, is dit niet verbeterd. Appellante verwijst naar de medische stukken in het dossier. Met name verwijst ze naar een in de bezwaarfase overgelegd rapport van neuroloog dr. H.L. Hamburger, waarin de uitslag van een slaaponderzoek wordt beschreven. Vanwege het chronisch slaaptekort meent appellante niet in staat te zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies te vervullen. In hoger beroep heeft appellante informatie over psychofysiologische insomnie ingezonden.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig is verricht en dat in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellante. Uit de verzekeringsgeneeskundige rapportages blijkt dat de verzekeringsartsen op de hoogte waren van de beperkingen van appellante. Zo is er rekening gehouden met de paniekstoornis, slaapstoornis en posttraumatische stressstoornis. Appellante is beperkt ten aanzien van het verdelen van de aandacht en conflicthantering. Zij is aangewezen op arbeid in een rustige en overzichtelijke omgeving, in een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, zonder veelvuldige deadlines of produktiepieken en waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten of met patiënten en hulpbehoevenden is vereist. Daarnaast is appellante beperkt ten aanzien van ’s avonds en ’s nachts werken en kan zij gemiddeld vier uur per dag, twintig uur per week werken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad - evenals de rechtbank - geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de FML. De Raad voegt hier nog aan toe dat uit het schrijven van Hamburger naar aanleiding van het slaaponderzoek weliswaar blijkt dat er aanwijzingen zijn voor een psychofysiologische vorm van insomnia, maar dat er bij het onderzoek (dat in 2010 heeft plaatsgevonden) geen afwijkingen zijn gevonden. Appellante is gerustgesteld naar huis gestuurd. Hieruit kan, naar het oordeel van de Raad, niet de conclusie worden getrokken dat er voor de slaapproblematiek op de in geding zijnde datum van 3 juli 2008 meer beperkingen opgenomen hadden moeten worden. De Raad acht daarbij mede van belang dat appellante heeft aangegeven dat de slaapproblematiek in de loop der jaren steeds erger is geworden. De in hoger beroep ingebrachte informatie over psychofysiologische insomnie maakt dit oordeel niet anders. Deze informatie is zeer algemeen van aard en zegt niets over de mate waarin appellante op de datum in geding hierdoor beperkingen heeft ondervonden. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige te raadplegen.

5.1. Gelet op het hetgeen is overwogen in 4.2 treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

30 maart 2012.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) G.J. van Gendt.

JL