Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0485

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
02-04-2012
Zaaknummer
08-6794 AOW + 09-3997 AOW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY4573
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Bevoegdheid Svb. 2) Korting op AOW-pensioen van appellant wegens niet verzekerde jaren. Woonplaats verplaatst van Nederland naar België. Geen strijd met EU-recht. 3) Korting op toeslag wegens niet verzekerde jaren appellante. Individueel verzekeringsrecht echtgenote. Geen sociaal voordeel werknemer. De verplichte verzekering voor de AOW voor appellante is begonnen, toen zij trouwde met een Nederlandse man. Artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) (thans artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, VWEU) biedt niet de garantie dat overbrenging van de woonplaats naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal is. Niet verzekerd in de periode dat zij woonachtig was in België. Niet kan worden gezegd dat de (gestelde) beperkingen op het intracommunautaire verkeer onevenredig zijn aan de nagestreefde legitieme doelstelling, de eerbiediging van het fundamentele beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toekenning van pensioenrechten. Niet gezegd kan worden dat appellante verplicht verzekerd was voor de AOW op grond van artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 (Vo 1612/68). In dat verband is van belang dat appellante niet aangemerkt kan worden als migrerend werknemer, nu zij geen arbeid in dienstbetrekking heeft verricht. Appellant stelt dat hij als migrerend werknemer recht heeft op dezelfde sociale en fiscale voordelen als werknemers die woonachtig zijn in Nederland en dat dit ook inhoudt dat zijn echtgenote over deze periode verplicht verzekerd was voor de AOW. Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn sociale voordelen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van Vo 1612/68, alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van de objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn. De Raad ziet echter geen aanknopingspunten om het, op ingezetenschap gebaseerde, individuele verzekeringsrecht van de echtgenote van een in Nederland woonachtige werknemer voor deze werknemer als een sociaal voordeel te beschouwen. Daarbij acht de Raad voorts nog van belang dat in Bijlage VI, onderdeel R, Nederland onder 2, sub f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, is bepaald dat de echtgenote in zo’n situatie gebruik kan maken van de vrijwillige verzekering als aldaar nader omschreven. 4) Vrijwillige verzekering appellante. De verplichte verzekering voor de AOW van appellante is geëindigd met de verhuizing naar België op 5 maart 2003. De mogelijkheid deel te nemen aan de vrijwillige verzekering is daarom door de Svb terecht geboden per 6 maart 2003. 5) Geen aanleiding de Svb te veroordelen tot schadevergoeding. De Raad kan appellanten niet volgen in hun stelling dat Europese regelgeving onjuist door de Svb is toegepast in deze gedingen. Evenmin is de Raad gebleken dat er van onjuiste gegevens over het arbeidsverleden van met name appellant is uitgegaan bij het nemen van de verschillende besluiten. De stelling van appellant dat onvolledig dan wel niet juist uitvoering is gegeven aan richtlijn 79/7/EG is niet nader toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6794 AOW

09/3997 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], België (appellant),

[appellante], wonende te [woonplaats], België (appellante; tezamen ook appellanten),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2008, 08/951 (uitspraak 1) en 25 juni 2009, 08/3606 (uitspraak 2)

in de gedingen tussen

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 30 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraak 1 en namens appellante tegen uitspraak 2.

De Svb heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. Het geding is gevoegd behandeld met de gedingen 08/7028 AKW en 10/2738 AKW tussen appellant en de Svb. Appellanten zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes en J.Y. van den Berg. Na de behandeling zijn de zaken gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant en appellante zijn met elkaar gehuwd. Zij zijn op 5 maart 2003 vanuit Nederland naar België verhuisd.

Feiten geding 08/6794 AOW

1.2. Tot 1 juli 2004 heeft appellant zijn werkzaamheden in Nederland voortgezet; vanaf die datum heeft hij een uitkering van het TNO-bedrijfspensioenfonds genoten tot hem, bij besluit van 10 april 2007, met ingang van mei 2007 een pensioen in het kader van de Algemene Ouderdomswet (AOW) is toegekend. Op dit pensioen is een korting van 4% toegepast wegens (afgerond) twee niet verzekerde jaren. Tevens is aan hem, bij besluit van 16 oktober 2007, een toeslag toegekend op dit pensioen van 58% van de volledige toeslag. De Svb neemt aan dat appellante 21 jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW.

1.3. Het bezwaar tegen beide besluiten heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 22 januari 2008 (besluit 1) ongegrond verklaard.

1.4. De rechtbank heeft in uitspraak 1 het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

Feiten geding 09/3997 AOW

2.1. Appellante is in Polen geboren. Zij is in 1983 in Warschau met een Nederlandse man getrouwd en daarna naar Nederland verhuisd, waar zij de Nederlandse nationaliteit verwierf. Het huwelijk is in 1986 geëindigd. Appellanten zijn in 1990 met elkaar gehuwd.

2.2. Bij besluit van 2 februari 2008 heeft de Svb aan appellante laten weten dat zij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering voor de AOW, omdat zij zich niet binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering heeft aangemeld. Als einde van de verplichte verzekering wordt door de Svb aangemerkt de verhuizing naar België op 5 maart 2003.

2.3. Het bezwaar tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 5 augustus 2008 (besluit 2) gegrond verklaard. De Svb heeft bepaald dat appellante per 6 maart 2003 bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering AOW.

2.4. De rechtbank heeft in uitspraak 2 het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

Beroepsgronden

3. Appellanten zijn van mening dat uit verschillende Europeesrechtelijke regelingen en uit arresten van - thans - het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) volgt dat appellant doorlopend verzekerd is geweest voor de AOW en dat appellante zowel voor haar komst naar Nederland als na haar vertrek naar België eveneens verplicht verzekerd was voor de AOW. Uit die laatste stelling volgt dat haar verplichte verzekering ingevolge de AOW niet is geëindigd, zodat zij niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering AOW, in ieder geval niet per 5 maart 2003. Daarnaast menen appellanten dat niet de Svb, maar de Belastingdienst bevoegd is besluiten te nemen over de verplichte verzekering voor de AOW. De Belastingdienst heeft loonbelasting en premies volksverzekeringen geheven over de bedrijfsuitkering die appellant vanaf

1 juli 2004 heeft ontvangen. Volgens appellanten blijkt hieruit dat zij verplicht verzekerd waren voor de AOW.

Beoordeling

Algemeen

4.1. Wat er verder zij van de stelling van appellanten dat niet de Svb maar de Belastingdienst bevoegd is te besluiten over de verplichte verzekering, de in geding zijnde besluiten betreffen de toekenning van een AOW-pensioen, de toekenning van de toeslag op het AOW-pensioen en de toelating tot de vrijwillige verzekering AOW. De Svb is in ieder geval bevoegd besluiten te nemen over deze onderwerpen. Daarnaast is vaste rechtspraak van de Raad dat er geen direct verband is tussen het betalen van premies volksverzekeringen en het verzekerd zijn voor deze verzekeringen.

4.2. Voor zover appellanten een beroep doen op het vertrouwensbeginsel omdat de Belastingdienst wel premies heeft geheven op de bedrijfsuitkering, overweegt de Raad als volgt. In de brief van de Belastingdienst van 8 november 2007, over de aangifte inkomstenbelasting 2004, staat dat de premieplicht eindigt op 1 juli 2007. Het had appellanten duidelijk kunnen en moeten zijn dat deze datum een verschrijving was, nu evident is dat de premieplicht in ieder geval niet op 1 juli 2007 zou eindigen. Appellant was toen al 65 jaar en appellanten woonden al geruime tijd in België, zonder in dienstbetrekking werkzaam te zijn. De Belastingdienst heeft ook bij brief van 15 juli 2008 aan appellanten medegedeeld dat bedoeld was

1 juli 2004. Daarnaast overweegt de Raad dat mededelingen in 2007 en 2008 niet van invloed kunnen zijn geweest op het doen en laten van appellanten in 2003 en 2004.

De korting op het AOW-pensioen van appellant

4.3.1. De Svb heeft als niet verzekerde periode van appellant aangemerkt de periode van 1 juli 2004 tot mei 2007. In die periode was appellant niet meer werkzaam in Nederland, woonachtig in België en nog geen 65 jaar. Om in deze periode als verplicht verzekerd voor de AOW aangemerkt te worden, dient appellant te voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in de AOW, dan wel moet hij worden geacht daaraan te hebben voldaan op grond van Europeesrechtelijke regelgeving.

4.3.2. Op grond van artikel 6 van de AOW is appellant gedurende dit tijdvak verzekerd indien hij ingezetene van Nederland is geweest, dan wel ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Uit de stukken blijkt dat de voormalige werkgever van appellant heeft verklaard dat de dienstbetrekking is geëindigd op 1 juli 2004. De vraag of appellant in de periode in geding aangemerkt moet worden als ingezetene, moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval. Uit de stukken blijkt voldoende dat appellanten per

5 maart 2003 hun woonplaats hebben verplaatst van Nederland naar België. Door appellanten is niet bestreden dat zij zich per genoemde datum uit de Gemeentelijke Basis Administratie van [plaatsnaam] hebben laten uitschrijven, dat zij geen zelfstandige woonruimte in Nederland meer hebben, een huis hebben gekocht in België en daar feitelijk zijn gaan wonen. Dat deze woning dicht bij de Nederlandse grens ligt maakt dit niet anders. Ook de stelling van appellanten dat hun sociale leven zich grotendeels in Nederland afspeelt is daarbij niet doorslaggevend, nu appellanten blijkbaar doorslaggevende argumenten hadden hun woonplaats feitelijk naar België te verplaatsen.

4.3.3. De vraag of de AOW in de huidige vorm nog voldoet aan de uitgangspunten zoals die golden bij de invoering daarvan, zoals appellanten hebben betoogd, laat de Raad buiten beschouwing. Daartoe overweegt hij dat het de rechter ingevolge artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen niet vrijstaat de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Dit betekent dat de rechter de keuzen van de wetgever dient te respecteren. Er is geen regel van Europees recht die de Nederlandse wetgever dwingt de AOW op dezelfde wijze vorm te geven als pensioenstelsels in andere EU-landen.

4.3.4. De stelling van appellanten dat de werkwijze rond de vaststelling van de AOW (en de toeslag) in strijd is met het EU-recht omdat pas na de aanvraag van ouderdomspensioen de verzekerde tijdvakken worden beoordeeld, kan de Raad niet onderschrijven. Het recht op een AOW-pensioen kan pas ontstaan bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Iemand die, voor het bereiken van die leeftijd, gebruik maakt van het recht op vrij verkeer en zijn woonplaats en/of werkzaamheden verplaatst naar een ander EU-land kan en moet op de hoogte zijn van het feit dat dit gevolgen kan hebben voor het recht op en de hoogte van het AOW-pensioen. Het is aan betrokkene in zo’n situatie zich ter zake te laten informeren door de Svb. Daarnaast staat het verzekerden vrij zich lopende de verzekering tot de Svb te wenden met het verzoek een overzicht te verschaffen van, voor de AOW als zodanig aangemerkte, verzekerde periodes. Uit de gedingstukken blijkt niet, en evenmin is dit door hen gesteld, dat appellanten zich, voorafgaand aan hun verhuizing naar België, tot de Svb hebben gewend met een verzoek om informatie. Dat zij wel informatie hebben ontvangen van het bedrijfspensioenfonds maakt dit niet anders, nu dit fonds niet bevoegd is tot het nemen van beslissingen over de AOW.

De korting op de toeslag

4.4.1. De stelling dat appellante, voorafgaand aan haar komst naar Nederland, verplicht verzekerd is geweest vanwege haar huwelijk met een Nederlandse man in 1983 vindt geen basis in het recht. Dat het recht op een AOW-pensioen in de jaren voorafgaand aan 1985 in een situatie waarin sprake was van een huwelijk over het algemeen aan de man toekwam als kostwinner, betekent niet dat de verzekeringspositie van de vrouw destijds niet van belang was. Ook de vrouw diende, in voorkomende gevallen, persoonlijk verzekerd te zijn voor de AOW om voor de man recht op een volledig AOW-pensioen te laten ontstaan. Met een Nederlander gehuwde vrouwen die in het buitenland woonachtig waren, werden destijds ook geacht verzekerd te zijn voor de AOW, indien hun echtgenoot verzekerd was. Dit leidt echter niet tot meer verzekerde periodes voor appellante, nu deze huwelijkse tijdvakken alleen werden meegeteld voor zover sprake was van een huwelijk. Hieruit volgt dat de verplichte verzekering voor de AOW voor appellante is begonnen op 3 september 1983, toen zij trouwde met een Nederlandse man.

4.4.2. De Svb heeft appellante als niet verplicht verzekerd aangemerkt voor de periode 5 maart 2003 tot mei 2007. In die periode was appellante woonachtig in België, niet werkzaam in Nederland, noch in België, en nog geen 65 jaar. Nu appellante niet in dienstbetrekking in Nederland werkzaam was, dient de vraag beantwoord te worden of zij in genoemde periode anderszins verzekerd was. Hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het ontbreken van ingezetenschap van appellant geldt voor appellante in de gehele periode dat zij in België woonachtig was en is. Sinds de wijziging van de AOW in 1985 kan appellante niet verzekerd zijn wegens het huwelijk met een, verzekerde, Nederlandse man. Het door appellanten aangehaalde arrest van het Hof in de zaak Schumacker, C-279/93 van 14 februari 1995, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen voor de periode van 5 maart 2003 tot 1 juli 2004. Ten eerste overweegt de Raad dat genoemd arrest betrekking heeft op directe belastingen en daarom niet onverkort van toepassing kan zijn op een geding inzake het recht op en de hoogte van de AOW. Bovendien betreft het arrest Schumacker een situatie waarin iemand (nog) werkzaam is. Appellante daarentegen heeft in Nederland noch in België beroepswerkzaamheden verricht. Daarnaast is de Raad van oordeel dat het feit dat appellanten gezamenlijk aangifte hebben gedaan voor de Nederlandse belastingen niet van belang is. Voor verplichte verzekering voor de AOW is van belang of appellante persoonlijk geacht moet worden verzekerd te zijn en is niet van belang de financiële situatie, of de situatie anderszins, van het gezin waartoe zij behoort.

4.4.3. Artikel 39 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG) (thans artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, VWEU) biedt niet de garantie dat overbrenging van de woonplaats naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal is. Gelet op de verschillen tussen de wettelijke stelsels van de lidstaten kan een dergelijke overbrenging op het punt van de sociale zekerheid, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, meer of minder voordelig of nadelig uitpakken. Een eventueel nadeel ten opzichte van de situatie waarin de betrokkene in een andere lidstaat woont als gevolg van de overbrenging van de woonplaats en het feit dat een ander wettelijk stelsel op hem van toepassing is geworden, is in beginsel niet in strijd met artikel 39 van het EG, indien deze wetgeving de betrokkene niet benadeelt ten opzichte van ingezetenen en ten opzichte van degenen die geen gebruik hebben gemaakt van hun recht op vrij verkeer (vergelijk Hof 19 maart 2002, C-393/99, Hervein II).

4.4.4. Vooropgesteld moet worden dat bij de vaststelling van de hoogte van de aan appellant toegekende toeslag het aantal verzekerde jaren van zijn echtgenote bepalend is. Een in Nederland wonende toeslaggerechtigde wordt ook met een korting op zijn toeslag geconfronteerd indien zijn huwelijkspartner gedurende een of meer jaren niet in Nederland verzekerd is geweest. Appellant wordt hierin niet anders behandeld dan een toeslaggerechtigde die ingezetene is en geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer.

4.4.5. De Raad voegt daaraan nog toe dat voor zover al zou moeten worden geoordeeld dat in de onderhavige situatie door of krachtens de AOW een belemmering van het vrije verkeer binnen de Gemeenschap wordt opgeworpen, die belemmering, gezien in samenhang met artikel 5 van het EG (thans, na wijziging, artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie), haar rechtvaardiging vindt in de doelstelling van de in de AOW neergelegde regeling, namelijk de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toekenning van (publiekrechtelijke) pensioenrechten. De Raad wijst in dat verband op de rechtspraak van het Hof - zie onder meer Hof 12 juni 2003, gepubliceerd in EHRC, 2003/64 - dat binnen de Europese Unie geen maatregelen toelaatbaar zijn die zich niet verdragen met de eerbiediging van de erkende rechten van de mens. De bescherming van deze rechten is een legitiem belang dat de beperking van uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichtingen kan rechtvaardigen, ook indien het gaat om een fundamentele verdragsvrijheid als het vrije verkeer van personen. In het voorliggende geval kan niet worden gezegd dat de (gestelde) beperkingen op het intracommunautaire verkeer onevenredig zijn aan de nagestreefde legitieme doelstelling, de eerbiediging van het fundamentele beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toekenning van pensioenrechten.

4.4.6. Uit het voorgaande volgt eveneens dat, wat betreft de periode van 5 maart 2003 tot 1 juli 2004, niet gezegd kan worden dat appellante verplicht verzekerd was voor de AOW op grond van artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 (Vo 1612/68). In dat verband is van belang dat appellante niet aangemerkt kan worden als migrerend werknemer, nu zij geen arbeid in dienstbetrekking heeft verricht. Appellant stelt dat hij als migrerend werknemer recht heeft op dezelfde sociale en fiscale voordelen als werknemers die woonachtig zijn in Nederland en dat dit ook inhoudt dat zijn echtgenote over deze periode verplicht verzekerd was voor de AOW. Volgens vaste rechtspraak van het Hof zijn sociale voordelen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van Vo 1612/68, alle voordelen die, al dan niet verbonden aan een arbeidsovereenkomst, in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, voornamelijk op grond van de objectieve hoedanigheid van werknemer of enkel wegens het feit dat zij ingezetenen zijn. De Raad ziet echter geen aanknopingspunten om het, op ingezetenschap gebaseerde, individuele verzekeringsrecht van de echtgenote van een in Nederland woonachtige werknemer voor deze werknemer als een sociaal voordeel te beschouwen. Daarbij acht de Raad voorts nog van belang dat in Bijlage VI, onderdeel R, Nederland onder 2, sub f, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, is bepaald dat de echtgenote in zo’n situatie gebruik kan maken van de vrijwillige verzekering als aldaar nader omschreven.

4.5. Uit 4.1 tot en met 4.4.6 volgt dat de rechtbank terecht de besluiten van de Svb over de toekenning van het AOW-pensioen en de toeslag op de AOW aan appellant in stand heeft gelaten. Uitspraak 1 zal dan ook worden bevestigd.

Vrijwillige verzekering appellante

4.6.1. In geding is de vraag wat de ingangsdatum is voor de toelating tot de vrijwillige verzekering AOW van appellante. In besluit 2 is door de Svb besloten dat appellante vanaf 6 maart 2003 kan deelnemen aan de vrijwillige verzekering. Hoewel een aanvraag tot vrijwillige verzekering gedaan moet worden binnen een jaar na het einde van de verplichte verzekering en appellante hieraan niet had voldaan, is de Svb van mening dat in dit geval dit appellante niet kan worden tegengeworpen, gezien de mededelingen van de Belastingdienst over de premieplicht voor de volksverzekeringen. Daarom heeft de Svb in besluit 2 appellante bevoegd verklaard deel te nemen aan de vrijwillige verzekering AOW met ingang van 6 maart 2003.

4.6.2. Uit 4.4.1 tot en met 4.4.6 volgt dat de verplichte verzekering voor de AOW van appellante is geëindigd met de verhuizing naar België op 5 maart 2003. De mogelijkheid deel te nemen aan de vrijwillige verzekering is daarom door de Svb terecht geboden per 6 maart 2003. Dit betekent dat uitspraak 2 eveneens bevestigd zal worden.

4.6.3. Hieruit volgt tevens dat de Raad geen aanleiding ziet prejudiciële vragen te stellen aan het Hof, zoals door appellanten verzocht.

Schadevergoeding

4.7.1. Appellanten hebben tevens verzocht een passende schadevergoeding vast te stellen wegens rechtsschendingen door de Svb, welke toe te rekenen zijn aan de Staat. Volgens appellanten hebben zij recht op schadevergoeding omdat de Svb Europese regelgeving schendt, geen of onjuiste gegevens bijhield, onder andere over het arbeidsverleden van appellant, alsmede omdat de Nederlandse wetgever Richtlijn 79/7/EG onvolledig en onjuist uitvoert.

4.7.2. Uit 4.1 tot 4.5 volgt dat de Raad appellanten niet kan volgen in hun stelling dat Europese regelgeving onjuist door de Svb is toegepast in deze gedingen. Evenmin is de Raad gebleken dat er van onjuiste gegevens over het arbeidsverleden van met name appellant is uitgegaan bij het nemen van de verschillende besluiten. De stelling van appellant dat onvolledig dan wel niet juist uitvoering is gegeven aan richtlijn 79/7/EG is niet nader toegelicht. De Raad gaat daaraan dan ook voorbij.

4.7.3. Dit leidt ertoe dat de Raad geen aanleiding ziet de Svb te veroordelen tot vergoeding van schade.

Proceskosten

4.8. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt uitspraak 1 en uitspraak 2;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2012.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) I.J. Penning.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.

IvR