Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0451

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
10/1882 WWB + 10/1883 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Professionele hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting. Zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Appellanten hebben ten minste éénmaal geoogst. Op geld waardeerbare arbeid, waarvoor een vergoeding bedongen had kunnen worden. Voor de terugvordering geldt dat geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich met vrucht kan beroepen op onbekendheid met de activiteiten van de ander, aangezien beiden voor de terugvordering als belanghebbenden moeten worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1882 WWB

10/1883 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), wonende te [woonplaats] (appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 februari 2010, 09/1311 en 09/1846 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert (college)

Datum uitspraak: 13 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.J. Lemmen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Voor appellanten is verschenen mr. M.J.M. Houben, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H.J.C. van der Haar.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellanten ontvingen sinds 2003 algemene bijstand laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Op 18 december 2007 heeft de Regiopolitie Limburg-Noord in het bij de woonwagen van appellanten aan de [adres] te [woonplaats] behorende tuinhuis (tuinhuis), een volledig ingerichte maar niet in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Het college heeft vervolgens een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Bij dit onderzoek zijn de processen-verbaal betrokken die in het kader van de strafrechtelijke procedure tegen appellant zijn opgemaakt. Daaronder bevindt zich het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij een berekening is gemaakt waarbij wordt uitgegaan van één eerdere oogst. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de Sociale Recherche [woonplaats] van 18 november 2008. De sociale recherche heeft daarbij expliciet verwezen naar de als bijlagen bij het rapport gevoegde processen-verbaal van 17 en 23 december 2007.

1.4. Op grond van de bevindingen van dit onderzoek heeft het college bij onderscheiden besluiten van 12 januari 2009 de bijstand aan appellanten over de periode van

24 september 2007 tot en met 17 december 2007 (te beoordelen periode), met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.239,02 van hen teruggevorderd.

1.5. Bij onderscheiden besluiten van 28 juli 2009 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 12 januari 2009, onder verwijzing naar het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 9 juli 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besteden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de omvang van de op 18 december 2007 ontmantelde kwekerij en de daarin aangetroffen apparatuur is sprake van een professionele kwekerij. Op 18 december 2007 heeft appellant hierover tegenover de politie verklaard dat de in het tuinhuis aangetroffen bestanddelen van de kwekerij zijn eigendom zijn, dat hij ook het isolatiemateriaal op de wanden en het plafond van het tuinhuis heeft aangebracht en dat het zijn bedoeling was met het telen van hennep te beginnen. Aan nadien door appellanten daarvan afwijkende afgelegde verklaringen komt volgens vaste rechtspraak inzake de bewijskracht van tijdens het opsporingsonderzoek tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde verklaringen, niet de door hen gewenste betekenis toe. Vergelijk de uitspraak van de Raad van 9 juni 2010, LJN BM7252. Daarom faalt het betoog dat de kwekerij niet van appellanten was.

4.2. De aanwezigheid van een hennepkwekerij als hier aan de orde moet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid waarvan het aan een betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van belang kon zijn voor de verlening van bijstand. Door hiervan geen melding te maken hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Anders dan appellanten betogen is hiervan niet pas sprake vanaf het moment dat uit een hennepkwekerij inkomsten worden verworven. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 23 november 2010, LJN BO4811) worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en waarvan hij het betreffende bestuursorgaan onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven. Daarom faalt het betoog dat appellanten hun inlichtingenverplichting niet geschonden hebben.

4.3. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.4. Het college mocht er op grond van de bevindingen van het onderzoek van uitgaan dat appellanten ten minste éénmaal hebben geoogst. De onderzoekresultaten bieden steun voor de conclusie dat de kwekerij al langere tijd in gebruik was. Er zijn voorts aanwijzingen dat de kwekerij in de periode kort voorafgaand aan de inval in bedrijf is geweest. De door de Dienst Luchtvaartpolitie van het Korps Landelijke Politiediensten op 12 november 2007 met een thermische camera gemaakte beeldopnames, wijzen uit dat in het tuinhuis sprake is van een beduidend hogere temperatuur dan in de woonwagen. Voorts zijn er in de kwekerij resten van hennepplanten aangetroffen. Het college mocht er vervolgens op basis van het onder 1.3 genoemde rapport van uitgaan dat de appellanten 10 weken ten behoeve van die eerdere oogst en 2 weken voorbereiding daaraan voorafgaande voor opbouw van de kwekerij, dus vanaf 24 september 2007, activiteiten hebben ontplooid met betrekking tot de kwekerij dan wel dat opbrengsten van de kwekerij aan appellanten ten goede zijn gekomen. Het is dan aan appellanten om met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij geen inkomsten uit de kwekerij hebben ontvangen en voorts hoeveel uren zij hebben gewerkt ten behoeve van de kwekerij. Het gaat immers om op geld waardeerbare arbeid, waarvoor een vergoeding bedongen had kunnen worden. Appellanten hebben hun stelling dat de kwekerij vlak voor 18 december 2007 was geïnstalleerd niet onderbouwd bijvoorbeeld door openheid van zaken te geven ten aanzien van de vraag wanneer en van wie zij de productiemiddelen voor de kwekerij hebben gekocht. Evenmin hebben zij de omvang van hun werkzaamheden aannemelijk gemaakt. Daarom heeft het college, anders dan appellanten betogen, terecht aan het bestreden besluit te grondslag gelegd dat het recht op bijstand van appellanten in de te beoordelen periode niet is vast te stellen.

4.5. Ook in hetgeen overigens in hoger beroep - bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in een andere zin dan de rechtbank te oordelen.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat door de vastgestelde schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellanten over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Dat betekent dat het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om over die periode tot intrekking van bijstand over te gaan. Appellanten hebben de uitoefening van deze bevoegdheid niet bestreden. Uit het vorenstaande vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was om de kosten van bijstand over de te beoordelen periode terug te vorderen. Het college voert het beleid dat op grond van dringende redenen van intrekking en terugvordering kan worden afgezien. Uit de toelichting op de beleidsregel volgt dat van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien onder meer sprake is indien de betrokkene van het ontstaan van de vordering geen enkel verwijt kan worden gemaakt, alsmede indien terugvordering ernstige gevolgen voor de belanghebbende of de gezinssituatie zou kunnen hebben. Het college, anders dan appellanten aanvoeren, heeft terecht geoordeeld dat hun omstandigheden een situatie als bedoeld in de beleidsregels niet aan de orde is, noch dat sprake is van feiten en omstandigheden die met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht dwingen tot afwijking van dit beleid.

4.7. Vaststaat dat appellanten in de te beoordelen periode gezinsbijstand hebben ontvangen. Voor de terugvordering geldt dat geen van beide in de gezinsbijstand begrepen partners zich met vrucht kan beroepen op onbekendheid met de activiteiten van de ander, aangezien beiden voor de terugvordering als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Daarom is de specifieke rol en positie van appellante in de Sintigemeenschap voor aansprakelijkheid niet van belang Het betoog dat de gemaakte kosten van bijstand niet mede van appellante mogen teruggevorderd, moet daarom falen.

4.8. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en H.J. de Mooij en

E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) E. Heemsbergen.

HD