Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
11-5568 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad verklaart zich onbevoegd .Er staat geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank waarbij het verzet ongegrond is verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5568 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

P R O C E S – V E R B A A L

van de mondelinge uitspraak

op het hoger beroep van

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2011, 11/2566 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college),

Datum uitspraak: 14 maart 2012

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter van de enkelvoudige kamer

Griffier: P.J.M. Crombach

Ter zitting zijn verschenen:

Appellante;

het college, vertegenwoordigd door drs. A.A. Brouwer.

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

verklaart zich onbevoegd .

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:

Appellante vraagt in dit geding uitbetaling van bijstand die het college in de periode van 12 april 1996 tot en met 13 september 1998 (periode I) aan haar en haar toenmalige echtgenoot, [B.] (ex-echtgenoot) naar de norm voor gehuwden en vanaf 14 september 1998 tot en met 30 juni 1999 (periode II) aan haar naar de norm van een alleenstaande ouder heeft toegekend.

In zijn uitspraak van 15 februari 2011 (LJN BP4653) heeft de Raad eerder over dit geschil geoordeeld. Inzet van dat geschil was het besluit van 7 mei 2009 (bestreden besluit) waarbij het college de beslissing heeft gehandhaafd dat appellante geen aanspraak heeft op de gevraagde uitbetaling.

Voor de - ook nu - van belang zijnde feiten wordt naar die uitspraak verwezen. Daaraan kan worden toegevoegd dat appellante ter zitting erkend heeft dat in periode I betaling van bijstand heeft plaatsgevonden op een rekening waarvan zij en de ex-echtgenoot mederekeninghouder waren, dat de ex-echtgenoot die ontvangsten op bankafschriften aan haar heeft laten zien en dat de ex-echtgenoot alle geldzaken en administratie van beiden deed.

Na de zojuist genoemde uitspraak van de Raad heeft appellante opnieuw beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij uitspraak van 14 juli 2011 heeft de rechtbank dit beroep met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bestreden besluit door de meergenoemde uitspraak van de Raad in rechte onaantastbaar is geworden. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het verzet tegen de uitspraak van 14 juli 2011 ongegrond verklaard, opnieuw op de grond dat het bestreden besluit in rechte onaantastbaar is geworden en dat er geen gronden zijn voor herziening op de voet van artikel 8:88 (oud) van de Awb. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vermeld dat daartegen geen hoger beroep openstaat. Dat is gelet op het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de Beroepswet een juiste mededeling. De Raad is daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak.

Waarvan proces-verbaal

de griffier de voorzitter

getekend getekend

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep

HD