Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0326

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
11-4791 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om erkenning als vervolgde dan wel gelijkstelling met de vervolgde. Verweerder kwam in 2003 tot de conclusie dat de loods waar appellante verbleef een loods in de kampong betrof die vermoedelijk voor vrouwen en kinderen zonder middelen van bestaan was bestemd en dat daar dus geen sprake was van internering in de zin van de Wuv. Appellante heeft geen gegevens ingediend die tot een ander standpunt moeten leiden. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel treft dus geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/4791 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (Canada), (appellante),

en

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak: 29 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitke-ringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 mei 2011, kenmerk BZ01284357, (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2012. Appellante is niet verschenen, zoals tevoren was bericht. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1. Appellante, geboren in 1933, heeft in augustus 2010 aan verweerder verzocht om erkenning als vervolgde dan wel gelijkstelling met de vervolgde op grond van de Wuv op grond van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.

1.2. Bij besluit van 7 december 2010 heeft verweerder hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Appellante heeft in beroep in hoofdzaak naar voren gebracht dat zij wel degelijk in Soekoredjo geïnterneerd is geweest en dat haar stiefzuster Joke op grond van die internering wel in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Wuv. Zij beroept zich op het gelijkheidsbeginsel.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. In artikel 2 van de Wuv wordt omschreven wat onder vervolging wordt verstaan. Daartoe behoort iedere handeling of maatregel welke tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 door of namens de vijandelijke bezettende machten werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereld beschouwing of homoseksualiteit, dan wel op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling, en welke heeft geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, of tot onderduiken om aan vrijheidsberoving te ontkomen.

3.2. Het verblijf van appellante in een loods in Soekoredjo wordt door verweerder niet bestreden. In 1992 is de stiefzuster van appellante, [J.], geboren in 1922, erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Hierbij is het verblijf in de loods in Soekoredjo als internering aangemerkt. In 2003 heeft verweerder naar aanleiding van een andere aanvraag nader onderzoek gepleegd en vanaf die tijd is verblijf in deze loods niet langer aangemerkt als internering, omdat daar vermoedelijk sprake was van opvang van vrouwen en kinderen zonder middelen van bestaan. Op de kampenlijst Nederlands-Indië staat deze loods dan ook vermeld als niet erkend kamp. Verweerder stelt zich ook in het geval van appellante op het standpunt dat dit verblijf vanaf 2003 niet langer als internering kan worden aangemerkt.

3.3. Ten tijde van de aanvraag van appellante waren meer gegevens bekend over het kamp in de loods van Soekaredjo dan ten tijde van de aanvraag van haar stiefzuster. Verweerder kwam in 2003 tot de conclusie dat het een loods in de kampong betrof die vermoedelijk voor vrouwen en kinderen zonder middelen van bestaan was bestemd en dat daar dus geen sprake was van internering in de zin van de Wuv. Appellante heeft geen gegevens ingediend die tot een ander standpunt moeten leiden. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel treft dus geen doel.

4. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

5. Er is ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) R.L.G. Boot.

HD