Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0305

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
10-6287 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om het ontbreken van de voortzetting van de pensioenopbouw met terugwerkende kracht ongedaan te maken. De tekst van de afspraken biedt geen enkel aanknopingspunt voor appellantes stelling dat het college (en zijn rechtsopvolgers) zich heeft (hebben) verplicht een voorziening te bieden die appellante een opbouw van pensioen garandeert als ware zij in januari 2001 niet ontslagen. Ook blijkt niet van de bedoeling van beide partijen om de door appellante gewenste (voorziening betreffende) pensioenopbouw te realiseren. Afwijzing verzoek tot het het ongedaan maken van het in mindering brengen op de aanvullende uitkering van een door appellante ontvangen IPAPuitkering. Voor zover het gaat om de periode voorafgaande aan de datum waarop appellante haar verzoek heeft gedaan, is van doorslaggevende betekenis dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Het bestreden besluit houdt daarom in zoverre in rechte stand. Voor zover het gaat om de periode na de datum waarop appellante haar verzoek heeft gedaan zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het standpunt van de stichting dat partijen de bedoeling hebben gehad ook de IPAPuitkering in aanmerking te nemen voor het in mindering brengen op de aanvullende uitkering. Vernietiging aangevallen uitspraak in zoverre en vernietiging aangevallen uitspraak in zoverre. De stichting krijgt de opdracht een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/116
TAR 2012/117

Uitspraak

10/6287 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 oktober 2010, 10-2924 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Stichting Spaarnesant (stichting)

Datum uitspraak: 29 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F.F. van Norel. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W. van Putten-de Waard en J.L. Aalberts. Op verzoek van appellante is als getuige gehoord D. van As, wonende te Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante, geboren in 1946, was directeur van een onder een rechtsvoorganger van de stichting, het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college), ressorterende openbare basisschool. Nadat haar met ingang van 31 januari 2001 ontslag was verleend uit haar betrekking hebben appellante en het college afspraken gemaakt die zijn neergelegd in een door de toenmalige gemachtigde van appellante, een advocaat, opgestelde brief van 1 oktober 2011.

1.2. Voor zover hier van belang is in die brief onder het kopje ‘Inkomensgarantie’ gesteld:

“De bedoeling van [appellante] en (B&W van) de gemeente Haarlem is aan [appellante] een te indexeren inkomensgarantie te geven op het niveau van schaal 11 periodiek 11 RPBO plus emolumenten.

Zonder beperkingen in duur of omstandigheden kan [appellante] jegens (B&W van) de gemeente Haarlem nu en in de toekomst aanspraak maken op een inkomen gelijk aan het maximum salarisniveau van een directeur van een basisschool (de waardering vindt plaats op het niveau van het maximum salarisschaal 11 RPBO) plus alle daarbij behorende emolumenten als ware zij nog steeds in dienst van (B&W van) de gemeente Haarlem in de functie van directeur van een basisschool. [Appellante] heeft dus onder meer met terugwerkende kracht vanaf 31 januari 2001 recht op een volledige ZKOO-tegemoetkoming, de toeslag van ƒ 103,- eindejaarsuitkering en vakantie-uitkering. Het volledige salaris plus emolumenten wordt (jaarlijks) geïndexeerd c.q. verhoogd op basis van de algemene loonrondes.”

1.3. Onder het kopje ‘Informatieverschaffing’ is in de brief, voor zover hier van belang, gesteld:

“[Appellante] ontvangt momenteel een WAO/IP uitkering. Van de omvang en hoogte daarvan stelt [appellante] de gemeente, indien zich een wijziging voordoet, maandelijks op de hoogte. De WAO/IP uitkering dient maandelijks door de gemeente te worden aangevuld tot maximaal het salarisniveau van een directeur van een basischool (salarisschaal 11 RPBO) plus emolumenten als boven bedoeld.”

1.4. In 2009 heeft appellante, toen zij tot de ontdekking kwam dat een door haar gewenste (voorziening betreffende de) voortzetting van de pensioenopbouw kennelijk niet door de stichting werd (en door haar rechtsvoorgangers was) gerealiseerd, de stichting verzocht het ontbreken daarvan met terugwerkende kracht ongedaan te maken. Tevens betrof dat verzoek het ongedaan maken van het in mindering brengen op de aanvullende uitkering van een door appellante ontvangen IPAPuitkering, een door haar in privé getroffen arbeidsongeschiktheidsvoorziening.

1.5. De stichting heeft de beide verzoeken afgewezen. Zij heeft die afwijzing gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 19 mei 2010 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1. De pensioenopbouw.

3.1.1. Hier is aan de orde de uitleg van de afspraken als onder 1.2 en 1.3 weergegeven en meer in het bijzonder de stelling van appellante dat die afspraken inhouden dat het college (en zijn rechtsopvolgers) zich daarbij heeft (hebben) verplicht een voorziening te bieden die appellante een opbouw van pensioen garandeert als ware zij in januari 2001 niet ontslagen. De rechtbank heeft geoordeeld dat expliciet noch impliciet uit de gemaakte afspraken blijkt dat partijen een dergelijke voorziening hebben getroffen.

3.1.2. Dat oordeel is juist. De tekst biedt geen enkel aanknopingspunt voor appellantes stelling. Enige vermelding van of verwijzing naar een pensioen(opbouw) ontbreekt. De frase dat appellante ook in de toekomst aanspraak kan maken op behoud van het directeursinkomen, legt evenmin een link naar de situatie na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

Zonder nadere aanknopingspunten duidt ook de term emolumenten niet op pensioen(opbouw). In het spraakgebruik gaat het om beloningen die buiten het normale salaris vallen. Daarbij wordt niet enige relatie met pensioen(opbouw) gelegd. De in de afspraken vermelde voorbeelden wijzen ook bepaald niet in de richting van pensioen(opbouw).

3.1.3. In het oordeel van de rechtbank ligt terecht besloten dat ook niet blijkt van de bedoeling van beide partijen om de door appellante gewenste (voorziening betreffende) pensioenopbouw te realiseren. De door appellante overgelegde schriftelijke verklaringen en de ter zitting door de getuige afgelegde verklaring, waarvan de kern is: “pensioen staat er natuurlijk niet in; want iedereen in het onderwijs weet dat hij pensioen moet betalen en dat pensioen voor hem wordt betaald. Dus die vraag is helemaal niet aan de orde geweest”, bieden geen steun voor het oordeel dat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs die zin aan de afspraken mochten toekennen en dat zij dat redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De aanspraak op het doorlopen van pensioenopbouw staat immers te ver weg van de bedoelde garantie van behoud, na ontslag, van het directeursinkomen (inclusief emolumenten).

3.1.4. De aangevallen uitspraak waarbij het beroep (ook) op dit onderdeel ongegrond is verklaard, is in zoverre juist.

3.2. De IPAPuitkering.

3.2.1. Op de aan appellante vanaf februari 2001 verstrekte aanvulling is steeds in mindering gebracht de door haar genoten IPAPuitkering. Tegen het daartoe strekkende besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend. De reactie van de stichting op het eerst in 2009 door appelante gedane desbetreffende verzoek is dan ook een weigering om terug te komen van dat eerdere besluit. Bij het bestreden besluit heeft de stichting die weigering gehandhaafd.

3.2.2. Waar hier een duuraanspraak in het geding is, is het volgens de rechtspraak van de Raad (CRvB 5 januari 2004, LJN AO2035, TAR 2004, 47) aangewezen bij de toetsing een onderscheid te maken tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna, moet een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Daarom zal het in de regel bij een duuraanspraak niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen.

3.2.3. Voor zover het gaat om de periode voorafgaande aan de datum waarop appellante haar verzoek heeft gedaan, is van doorslaggevende betekenis dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Het bestreden besluit houdt daarom in zoverre in rechte stand.

3.2.4. Voor zover het gaat om de periode na de datum waarop appellante haar verzoek heeft gedaan, welke is te bepalen op 10 juli 2009, moet worden vooropgesteld dat de afsprakenbrief over het in mindering brengen van de IPAPuitkering geen enkele passage bevat. Verder duidt het wel vermelden van de elementen ‘WAO/IP’ erop dat niet met andere inkomsten rekening gehouden moet worden dan met de genoemde inkomsten in verband met arbeid. Voor het standpunt van de stichting dat partijen de bedoeling hebben gehad ook de IPAPuitkering in aanmerking te nemen, ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten. Van belang is dat het bij de IPAPuitkering niet gaat om door appellante uit of in verband met arbeid genoten inkomsten, maar dat appellante de aanspraak op die uitkering geheel ontleent aan een door haar in privé gesloten verzekeringsovereenkomst. De omstandigheid dat er enige betrokkenheid van de stichting bij die verzekering zou zijn, doet daaraan niet af.

3.2.5. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Aan appellante komt alsnog aanspraak toe op aanvulling van haar inkomsten in de periode vanaf 10 juli 2009 tot aan haar pensionering, zonder dat daarop de door haar ontvangen IPAPuitkering in mindering wordt gebracht.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in zoverre ten onrechte in stand gelaten. Die uitspraak en het bestreden besluit moeten daarom in zoverre worden vernietigd.

3.2.6. Omdat het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar informatie van de kant van appellante vergt en van de stichting de nodige berekeningen vraagt, terwijl mag worden aangenomen dat beide partijen daarover geen verschil van mening zullen krijgen, is er aanleiding niet zelf in deze zaak te voorzien maar de stichting op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

4. De Raad ziet aanleiding de stichting te veroordelen in de proceskosten van appellante welke worden begroot op € 1.748,- voor kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit van 19 mei 2010 ongegrond is verklaard en voor zover daarbij dat besluit in stand is gelaten wat betreft de afwijzing van het verzoek van appellante haar IPAPuitkering buiten beschouwing te laten, gerekend vanaf 10 juli 2009;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

- draagt de stichting op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

- veroordeelt de stichting tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.748,-;

- bepaalt dat de stichting aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en B.J. van de Griend en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.C. Nijholt.

HD

Q