Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0304

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
10-2815 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. De Wmo moet als een toereikende en passende voorliggende voorziening moet worden aangemerkt voor personen die op medische, psychische, of psychosociale gronden beperkingen ondervinden bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Indien de belanghebbende een op grond van de Wmo toegekende vervoersvoorziening ontoereikend vindt, omdat deze zijn beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen niet zou compenseren, staat het hem vrij om het besluit tot toekenning aan te vechten met de rechtsmiddelen van de Algemene wet bestuursrecht dan wel een nieuwe aanvraag te doen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over het ontoereikend zijn van de toegekende Wmo-voorziening kan er niet toe leiden dat via de bijzondere bijstand een aanvullende vervoersvoorziening wordt verstrekt. Geen sprake van zeer dringende redenen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/68 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
RSV 2012/128
USZ 2012/120
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2815 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 april 2010, 09/2293 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland (college)

Datum uitspraak: 27 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, met het onderzoek in de gevoegde zaak met reg.nr. 10/2813 WWB, plaatsgevonden op 14 februari 2012. Voor appellante is verschenen mr. Van der Wal. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft bij aanvragen van 26 januari 2009 en 23 februari 2009 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van haar auto over de jaren 2007, 2008 en 2009, onder meer de kosten van verzekering, wegenbelasting, APK, onderhoud en het vervangen van een accu. Bij besluit van 26 februari 2009 heeft het college de aanvragen afgewezen.

1.2. Bij besluit van 26 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2009 ongegrond verklaard. Aan dat besluit heeft het college, onder verwijzing naar artikel 15 van de Wet werk en bijstand (WWB), ten grondslag gelegd dat appellante aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Appellante ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een vergoeding voor de kosten van het gebruik van een auto, zodat voor bijzondere bijstand geen plaats is. Het college heeft geen dringende reden, als bedoeld in artikel 16 van de WWB, gezien om van artikel 15 van de WWB af te wijken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat in haar geval niet kan worden volgehouden dat sprake is van een toereikende voorliggende voorziening. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de rechtbank miskent dat het bezit van een auto voor een bijstandsgerechtigde niet algemeen gebruikelijk is en dat een bijstandsgerechtigde de daarmee verbonden kosten niet uit de bijstand kan betalen. De Verordening maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Smallingerland (Verordening) kent alleen een tegemoetkoming voor het gebruik in de autokosten waarbij voor het gebruik van een auto een maximaal aantal kilometers wordt vergoed. Het bezit van een auto en de daarmee samenhangende kosten worden echter verondersteld, omdat deze algemeen gebruikelijk zijn. De Wmo compenseert dus wel de extra kosten van de beperking, maar niet de gebruikelijke kosten van de auto, waardoor de Wmo-voorziening niet toereikend is, als bedoeld in de WWB. Appellante heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bezit van een auto een eigen keuze is van appellante en dat zij ook kan opteren voor taxivervoer of een combinatie van voorzieningen als bedoeld in de Verordening, nu niet blijkt dat een auto medisch noodzakelijk is. Appellante stelt zich op het standpunt dat haar gezondheidstoestand bij de het college bekend is en dat zij voldoende gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat het gebruik van een auto voor haar noodzakelijk is. Als meer gegevens nodig zijn, dan had het college daar op grond van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onderzoek naar moeten doen. Van appellante kan het inbrengen van een hierop toegesneden medische verklaring niet worden gevergd, nu zij de kosten daarvan niet kan dragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder f (oud), van de WWB wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen ter bekostiging van specifieke uitgaven.

4.2. Op grond van artikel 15, eerste lid, volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

4.3. Artikel 4, eerste lid, van de Wmo bepaalt dat ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, het college van burgemeester en wethouders voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem onder meer in staat stellen om zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel.

4.4. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 10 december 2008 (LJN BG6612), onder rechtsoverweging 4.2.2, heeft geoordeeld legt artikel 4 van de Wmo het college de plicht op om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Gezien de wetsgeschiedenis van dat artikel dient een dergelijk besluit in het individuele geval maatwerk te zijn. Onder omstandigheden kan dit leiden tot het oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het college bij de uitvoering van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete, individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4 van de Wmo bedoelde compensatieplicht.

4.5. De hiervoor onder 4.4 genoemde compensatieplicht brengt mee dat de Wmo als een toereikende en passende voorliggende voorziening moet worden aangemerkt voor personen die op medische, psychische, of psychosociale gronden beperkingen ondervinden bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Indien de belanghebbende een op grond van de Wmo toegekende vervoersvoorziening ontoereikend vindt, omdat deze zijn beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen niet zou compenseren, staat het hem vrij om het besluit tot toekenning aan te vechten met de rechtsmiddelen van de Awb dan wel een nieuwe aanvraag te doen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over het ontoereikend zijn van de toegekende Wmo-voorziening kan er gezien artikel 15, eerste lid, van de WWB, er niet toe leiden dat via de bijzondere bijstand een aanvullende vervoersvoorziening wordt verstrekt.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag om bijzondere bijstand terecht is afgewezen op grond van artikel 15, eerste lid, van de WWB. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad voorts geen zeer dringende redenen, die het college noodzaakten met toepassing van artikel 16, eerste lid, van de WWB bijstand te verlenen.

4.7. Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD