Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
10-770 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens wangedrag, bestaande uit het in het bezit hebben van softdrugs, samen met het materiaal om een joint te maken. Ontslag is in overeenstemming met het drugsbeleid. Redelijke beleidsbepaling. Vrijspraak door de politierechter is niet doorslaggevend, de bestuursrechter oordeelt los van hetgeen in het strafproces is geoordeeld. Appellante heeft geen bewijs aangedragen voor haar stelling dat de drugs door een ander in haar tas zijn verborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/770 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2009, 09/965 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (minister)

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingediend.

De Staatssecretaris van Defensie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. V. Dolderman, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.G. Gilissen en mr. T.A. Groenewoud-Kralt.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister wordt daaronder in voorkomend geval mede verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

1.1. Appellante was soldaat bij de Koninklijke landmacht en leerling van het [Schoolbataljon]. Op 19 maart 2008 heeft een medeleerling bij de pelotonscommandant aangegeven dat appellante vermoedelijk drugs in haar bezit had. Appellante is verzocht haar woodlandtas, die onder haar bed lag, uit te pakken. In een sigarettendoosje, dat in een schoen zat, is vervolgens 0,2 gram softdrugs aangetroffen, samen met materiaal bestemd voor het maken van een joint. Hiervan is aangifte gedaan bij de Koninklijke marechaussee. Appellante heeft verklaard dat zij niet wist dat er softdrugs in haar tas zaten.

1.2. Bij besluit van 27 maart 2008 is appellante met toepassing van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement met ingang van 1 mei 2008 ontslag verleend wegens wangedrag. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 januari 2009 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Vast staat dat appellante drugs in haar bezit had, in diensttijd en op een militaire plaats. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de minister terecht heeft aangenomen dat dit appellante kon worden toegerekend. De rechtbank heeft daarbij in de rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4.1 van de aangevallen uitspraak een juiste toetsingsmaatstaf gehanteerd, waarnaar de Raad verwijst.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat appellante zich aan de haar verweten gedraging heeft schuldig gemaakt. Daarbij neemt de Raad met name in aanmerking de verklaringen van luitenant [O.] en soldaat [T.] van maart en augustus 2008. Anders dan namens appellante is betoogd moet niet de minister, maar zijzelf bewijs aandragen voor haar stelling dat zij niet wist dat er drugs in haar tas zaten. De verklaringen van enkele collega’s dat zij niet hebben gezien dat appellante drugs gebruikte acht de Raad onvoldoende bewijs. De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat appellante in onmin leefde met soldaat [T.] is niet voldoende om aan te nemen dat deze uit rancune de drugs in appellante’s tas heeft gestopt. Dat appellante door de (militaire) politierechter is vrijgesproken is, zoals uit vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 31 juli 2008, LJN BD9689) blijkt, niet van doorslaggevende betekenis. De bestuursrechter moet het door de minister gestelde wangedrag beoordelen los van hetgeen in het strafproces is overwogen en geoordeeld.

3.3. Het ontslag is in overeenstemming met het geldende drugsbeleid (Aanwijzing SG A/925, 28 maart 2007) verleend. Een van de hoofdregels is dat de militair die in diensttijd softdrugs tot maximaal een gebruikershoeveelheid aanwezig heeft wordt voorgedragen voor ontslag. Onder een gebruikershoeveelheid wordt volgens dit beleid verstaan tot en met 5 gram softdrugs. Met de minister kan worden vastgesteld dat de hoeveelheid van 0,2 gram die bij appellante is aangetroffen daaronder valt. Er is, gelijk de rechtbank in de aangevallen uitspraak overwoog, sprake van een redelijke beleidsbepaling.

3.4. Het beroep van appellante op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 31 maart 2011 (LJN BQ1548) slaagt niet. Namens de minister is uiteengezet dat de visie van de voorzieningenrechter dat 0,2 gram een vrijwel verwaarloosbaar restant aan drugsgruis is, niet wordt gedeeld. De minister staat een zero tolerance beleid voor, waarbij elke hoeveelheid telt. De intrekking van het ontslag van de betrokkene in die uitspraak berust op een fout, die de minister heeft getracht te herstellen door opnieuw ontslag te verlenen, welk ontslag de rechtbank echter vanwege strijd met het rechtszekerheidsbeginsel niet houdbaar vond. Met die uiteenzetting heeft de minister voldoende aannemelijk gemaakt dat geen sprake is van willekeur of een verschil in behandeling van appellante. Het geval van appellante is evenmin vergelijkbaar met dat van kapitein [naam kapitein].

3.5. Wat betreft de stelling van appellante dat de minister in strijd met de geldende procedureregels heeft gehandeld, is de Raad met appellante van oordeel dat deze regels niet strikt zijn nageleefd. Weliswaar kan niet van de commandant worden verlangd dat bij elk gerucht al contact met de marechaussee wordt opgenomen. Op het moment dat, zoals overwogen onder 1.1, het sigarettendoosje in de schoen van appellante werd aangetroffen, was echter niet langer sprake van een gerucht maar van een mogelijk strafbaar feit. Op dat moment was het doen van aangifte bij de marechaussee aangewezen. Nu niet is gebleken dat appellante door het niet naleven van de procedureregels op dit onderdeel is benadeeld, is er aanleiding om aan deze schending geen gevolgen te verbinden. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante geen bewijs heeft aangedragen voor haar stelling dat de drugs door een ander in haar tas zijn verborgen. Tot slot stelt de Raad vast dat in overeenstemming is gehandeld met de richtlijn ontslagbesluiten van 9 december 2003, op grond waarvan van het instellen van een Commissie van Onderzoek en Advies kan worden afgezien in eenvoudige zaken als deze.

4. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en H.C.P. Venema en J.G. Treffers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD