Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0214

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
09-6454 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Terugvordering. Appellante heeft ten aanzien van de terugvordering over de jaren 1999 en 2000 met vrucht een beroep op verjaring heeft gedaan. Het had op de weg van het Uwv gelegen om contact op te nemen met appellante over het ontbreken van de belastingaangifte over het jaar 1999 bij de brief van 19 april 2000. Het Uwv had aan de hand van deze aangifte kunnen vaststellen dat appellante te veel uitkering ontving. Nu het Uwv destijds nog enige tijd nodig gehad zou hebben om deze aangifte op te vragen en de daarin opgenomen gegevens te verwerken had de aanvang van de termijn van verjaring in het onderhavige geval moeten worden gesteld op 1 juli 2000. Geen sprake van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Het Uwv krijgt de opdracht de gebreken in het besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 309
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/109
RSV 2012/183
ABkort 2012/137

Uitspraak

09/6454 WAO-T

11/6722 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 oktober 2009, 08/1668 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.S. Fluit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 6 juli 2011 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012, waar namens appellante is verschenen mr. Fluit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoerig overzicht van de feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn - tussen partijen gewezen - uitspraak van 2 februari 2011, LJN BP3000. De Raad voltstaat thans met het volgende.

1.2. Appellante is werkzaam geweest als humanistisch raadsvrouw in een psychiatrisch ziekenhuis gedurende 20 uur per week. In 1990 is zij uitgevallen met rugklachten. Na afloop van de wachttijd is aan haar met ingang van 4 februari 1991 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Nadat bij besluit van 11 december 1995 de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 45 tot 55%, is bij besluit van 20 november 2000 de mate van arbeidsongeschiktheid wederom vastgesteld op 80 tot 100%.

1.3. In verband met inkomsten uit eigen bedrijf heeft het Uwv appellante bij besluit van 1 november 2006 meegedeeld dat de WAO-uitkering niet wordt uitbetaald over de periode van 1 januari 1999 tot 1 maart 2006. Het bezwaar van appellante tegen dat besluit heeft het Uwv bij besluit van 30 maart 2007 gegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv bepaald dat met toepassing van artikel 44 van de WAO de uitkering niet wordt uitbetaald over de jaren 1999 en 2001 tot en met 2003. Voorts is bepaald dat de uitkering over het jaar 2000 wordt uitbetaald als ware appellante 15 tot 25% arbeidsongeschikt en dat de uitkering met ingang van 1 januari 2004 wordt ingetrokken.

1.4. Onder verwijzing naar het voormelde besluit van 1 november 2006 heeft het Uwv appellante bij besluit van 5 oktober 2007 meegedeeld dat zij over de periode van 1 januari 1999 tot 1 maart 2006 een bedrag van € 64.796,66 te veel uitkering heeft ontvangen en dat dit bedrag wegens onverschuldigde betaling van haar wordt teruggevorderd.

1.5. Onder gegrondverklaring van het door appellante tegen het besluit van 1 november 2006 gemaakte bezwaar heeft het Uwv, mede naar aanleiding van het besluit van 30 maart 2007, bij besluit van 3 juni 2008 de hoogte van het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 57.023,32. Voorts heeft het Uwv daarbij overwogen dat er geen dringende reden aanwezig is om van de terugvordering af te zien.

2. In beroep heeft appellante gesteld dat de terugvordering geheel of gedeeltelijk is verjaard. Daarbij heeft zij onder meer verwezen naar een brief van 19 april 2000, waarbij zij het Uwv een kopie van de belastingaangifte (inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen) over het jaar 1999 heeft doen toekomen. Voorts heeft appellante haar beroep op een dringende reden herhaald.

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO het Uwv in beginsel is gehouden de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Ingevolge het vierde lid kan het Uwv echter, indien daarvoor dringende redenen zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

3.2. Met betrekking tot het betoog van appellante dat de terugvordering is verjaard heeft de rechtbank overwogen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 9 april 2008 (LJN BD0859), dat de verjaringstermijn voor het nemen van een terugvorderingsbesluit met betrekking tot een onverschuldigde betaling van een WAO-uitkering aanvangt op het moment dat bij het Uwv feiten en omstandigheden bekend zijn geworden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent terugvordering in de rede ligt. Uit jurisprudentie van de Raad volgt dat bij toepassing van artikel 57 van de WAO aansluiting dient te worden gezocht bij de in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek neergelegde verjaringstermijn voor vorderingen uit onverschuldigde betaling. Een dergelijke rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden.

3.3. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met het door het Uwv ingenomen standpunt dat de verjaringstermijn in het onderhavige geval is begonnen op de dag nadat het formulier ”Opgave jaarinkomsten 2001” ter kennis van het Uwv is gekomen, te weten 9 oktober 2002 (ervan uitgaande dat appellante het formulier op de datum van ondertekening - 8 oktober 2002 - aan het Uwv heeft verzonden). Nu de verjaring is gestuit door de terugvorderingsbeslissing van 5 oktober 2007 en dit besluit is genomen binnen vijf jaren na 9 oktober 2002, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van (een deel van) verjaring van de vordering.

3.4. Aangezien de rechtbank evenmin een dringende reden in voormelde zin aanwezig heeft geacht, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep naar voren gebrachte gronden herhaald, waarbij zij wederom heeft verwezen naar de in overweging 2 vermelde brief van 19 april 2000. In verband met haar beroep op een dringende reden heeft zij gesteld dat zij als gevolg van de onderhavige terugvordering pensioen- en alimentatieschade heeft. Daarnaast heeft appellante schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.2. Naar aanleiding van de in 1.1 vermelde uitspraak van de Raad van 2 februari 2011 heeft het Uwv met de betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar genomen - het in rubriek I genoemde besluit van 6 juli 2011 -, waarbij het bedrag van de terugvordering nader is vastgesteld op € 47.946,01. Aangezien appellante zich met dit besluit evenmin kan verenigen, heeft de Raad met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit besluit in het onderhavige geding betrokken.

5.1. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven in 3.1 en 3.2. Met het in 3.3 weergegeven oordeel van de rechtbank over de aanvang van de verjaringstermijn en de gevolgen daarvan voor de terugvordering stemt de Raad echter niet (geheel) in.

5.2. De ontvangst van de voormelde brief van 19 april 2000 is door het Uwv niet ontkend. Aangezien naar de mening van het Uwv bij deze brief geen belastingaangifte over het jaar 1999 was gevoegd - een naderhand ingesteld dossieronderzoek naar de toen in het dossier aanwezige gegevens heeft dat naar de mening van het Uwv ook bevestigd - heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de brief van 19 april 2000 voor het Uwv geen aanleiding heeft behoeven te vormen om te veronderstellen dat het inkomen van appellante zodanig was dat een herziening en een terugvordering in de rede lag. De Raad volgt het Uwv hierin niet.

Het had naar het oordeel van de Raad op de weg van het Uwv gelegen om contact op te nemen met appellante over het ontbreken van deze aangifte bij de brief van 19 april 2000, te meer daar hieruit naar voren komt dat appellante deze brief heeft geschreven na voorafgaand telefonisch overleg met het Uwv, waarbij een eventuele verlaging van de uitkering onderwerp van gesprek is geweest.

Voorts stelt de Raad vast dat het Uwv aan de hand van deze aangifte, zoals die naderhand alsnog door appellante in geding is gebracht, had kunnen vaststellen dat zij te veel uitkering ontving. Nu het Uwv destijds nog enige tijd nodig gehad zou hebben om deze aangifte op te vragen en de daarin opgenomen gegevens te verwerken is de Raad van oordeel dat de aanvang van de termijn van verjaring in het onderhavige geval moet worden gesteld op 1 juli 2000. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat appellante met betrekking tot de terugvordering over de jaren 1999 en 2000 met vrucht een beroep op verjaring heeft gedaan. Gezien de ontvangst van het in 3.3 vermelde formulier over het jaar 2001, is de Raad van oordeel dat de conclusie van de rechtbank over de aanvang van de verjaringstermijn wel opgaat voor 2001 en volgende jaren.

5.3. Met betrekking tot het beroep van appellante op een dringende reden sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Ook de Raad is op grond van de gedingstukken niet tot de conclusie kunnen komen dat appellante als gevolg van de onderhavige terugvordering, die als gevolg van het vorenstaande minder zal bedragen dan bij besluit van 6 juli 2011 is vastgesteld, in een financiële noodsituatie is geraakt.

5.4. Met betrekking tot het beroep van appellante op artikel 6 EVRM overweegt de Raad dat het Uwv ter zitting van de Raad appellante een schadevergoeding heeft aangeboden van € 500,-- en dat dit aanbod door appellante is geaccepteerd. Derhalve is dit punt niet meer in geschil.

5.5. Gelet op de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 is de Raad van oordeel dat het besluit van 6 juli 2011, zoals dit thans luidt, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb in rechte geen stand kan houden.

5.6. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitspraak wordt gegeven. Daarbij stelt hij voorop dat de bestuursrechter bij een (te verwachten) vernietiging van een besluit op kenbare wijze de mogelijkheden tot definitieve beslechting van het geschil behoort te onderzoeken. Dit houdt in dat de bestuurechter dient na te gaan of de rechtsgevolgen van een te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten dan wel of hijzelf in de zaak kan voorzien. Ligt een van deze mogelijkheden redelijkerwijs niet binnen bereik, dan dient de bestuurechter na te gaan of een - formele dan wel

informele - bestuurlijke lus een reële mogelijkheid is.

5.7. In het voorliggende geval, waarin de aard van het vastgestelde gebrek mede noodzaakt tot een nadere berekening van het terugvorderingsbedrag, geniet herstel van dit gebrek door het Uwv de voorkeur boven het zelf voorzien in de zaak door de Raad. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen (nogmaals) een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 6 juli 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.R. Baas.

NW