Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0208

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
10-4934 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het rapport van de bezwaarverzekeringsarts is zorgvuldig tot stand gekomen en biedt een deugdelijke grondslag voor het bestreden besluit. De in hoger beroep overgelegde medische gegevens vormen geen reden voor een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4934 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 juli 2010, 09/785 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.H.M. Achten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012. Namens appellant is verschenen mr. Achten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als assemblagemedewerker bij [werkgever] in [vestigingsplaats]. Hij heeft zich op 27 oktober 2008 wegens rugklachten ziek gemeld.

2. Bij besluit van 23 februari 2009 is aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 2 maart 2009 geen ziekengeld meer werd uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.

3. Bij besluit van 6 april 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 februari 2009 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat een bezwaararbeidsdeskundige in een rapport van 27 januari 2010 na onderzoek van de werkplek, tot de conclusie is gekomen dat appellants laatst verrichte arbeid een belasting kent die op praktisch alle items ruim binnen de normaalwaarden valt en dat de werkgever deze werkbeschrijving juist achtte. De rechtbank zag, nu geen verdere gegevens van medische aard naar voren waren gekomen die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellant per 2 maart 2009, geen aanleiding om de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts, zoals neergelegd in een rapport van 3 april 2009, voor onjuist te houden.

5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Voormeld rapport van de bezwaarverzekeringsarts is naar het oordeel van de Raad zorgvuldig tot stand gekomen en biedt een deugdelijke grondslag voor het bestreden besluit. De in hoger beroep overgelegde medische gegevens, waaronder een brief van 5 juli 2010 van de behandelend orthopedisch chirurg, vormen geen reden voor een ander oordeel. De Raad verwijst in dit verband naar het aanvullend rapport van 27 oktober 2010 van de bezwaarverzekeringsarts, die in reactie op voormelde brief concludeert dat rond de datum in geding geen hernia is gevonden en dat appellant destijds belastbaar was voor rugsparende arbeid. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 7 oktober 2011 stelt, blijkt uit de nader overgelegde informatie van de behandelend neuroloog verder dat geen neurologische afwijkingen zijn vastgesteld. Uit voormeld rapport van de bezwaarverzekeringsarts leidt de Raad verder af dat de wel gevonden afwijkingen geen verklaring vormen voor de ten tijde in geding door appellant geuite rugklachten. In aanmerking genomen dat appellants werk niet als rugbelastend kan worden aangemerkt, ziet de Raad in de in hoger beroep overgelegde medische gegevens dus geen grond om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts niet te onderschrijven.

6. Uit hetgeen onder 5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

De griffier is buiten staat te ondertekenen

KR