Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0199

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
11-222 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering. De rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen hebben blijk gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek.. Uit de zich in het dossier bevindende stukken blijkt niet dat de medische beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/222 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2010, 10/6 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012. Appellante is met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.H. Knigge.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

1.2. Appellante, geboren op 1 mei 1985, heeft op 20 april 2009 bij het Uwv een aanvraag ingediend om haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wajong.

1.3. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 22 september 2009 de aanvraag van appellante afgewezen, aangezien er geen eerste ziektedag is vast te stellen op haar 17e levensjaar en zij geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.

1.4. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 9 december 2009 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen blijk hebben gegeven van een voldoende zorgvuldig onderzoek. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts appellante heeft gezien op haar spreekuur, dat de bezwaarverzekeringsarts appellante tijdens de hoorzitting heeft gezien en de overgelegde informatie van haar huisarts heeft meegewogen in zijn oordeel. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit de zich in het dossier bevindende stukken niet blijkt dat de medische beperkingen van appellante onjuist zijn vastgesteld. Uit de stukken is de rechtbank gebleken dat appellante zich op 17-jarige leeftijd, op 26 september 2002, in Nederland heeft gevestigd en in 2002 scholing heeft gevolgd, waarna zij haar diploma heeft behaald. Voorts heeft appellante vanaf haar 18e tot en met haar 23e jaar gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in het algemeen niet voor de hand om van een persoon die een arbeidsverleden van enige betekenis heeft, niettemin aan te nemen dat hij destijds arbeidsongeschikt was. Het enkel bestaan van klachten acht de rechtbank daarvoor niet toereikend. Uit de overgelegde informatie van de psychosociaal medewerker F. Laachkar is op te maken dat appellante sinds januari 2010 bij haar in behandeling is. Laachkar heeft evenwel aangegeven dat moeilijk is in te schatten hoe ernstig de klachten van appellante waren voor haar 17e verjaardag. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet objectief medisch vast te stellen of appellante als gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat was arbeid te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij reeds voor en op de dag waarop zij 17 jaar is geworden in verband met psychische klachten arbeidsongeschikt is geweest. Zij wijst erop dat zij met heel veel moeite een VMBO-diploma heeft behaald, maar een opleiding op MBO-niveau vanwege haar klachten niet heeft kunnen volhouden. Door haar psychische problemen is het appellante bovendien niet gelukt een baan te behouden dan wel contacten met vrienden te onderhouden. Ter onderbouwing van het bestaan van psychische problemen heeft appellante in hoger beroep een verklaring van I-Psy van 12 januari 2011 ingebracht. Ten slotte heeft appellante de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad stelt vast dat in hoger beroep in essentie dezelfde gronden zijn aangevoerd als in beroep bij de rechtbank. Ten aanzien van deze beroepsgronden is de Raad van oordeel dat de rechtbank deze afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen en verwijst daarnaar.

4.2. Ten aanzien van het bij het beroepschrift bij de Raad overgelegde rapport van I-Psy van 12 januari 2011 merkt de Raad op dat daarin geen beoordeling heeft plaatsgevonden van de situatie van appellante voor of op de datum waarop zij 17 jaar is geworden. Appellante heeft daarom ook in hoger beroep haar stelling, dat zij in die periode ernstige beperkingen ondervond, niet met relevante stukken onderbouwd.

4.3. De Raad ziet geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

5. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

De griffier is buiten staat te ondertekenen

TM