Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0197

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
11-2666 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is zorgvuldig en volledig geweest en het Uwv heeft de beperkingen van appellant niet onderschat. De geduide functies konden aan de schatting ten grondslag worden gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2666 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 28 maart 2011, 10/850 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012. Namens appellant is verschenen mr. Verkoeijen. Het Uwv was vertegenwoordigd door drs. R. Spanjer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitvoerige weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, zoals deze bekend zijn in verband met de aanvraag op 2 juni 2006 van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

1.2. Appellant was werkloos en heeft zich op 25 september 2007 ziek gemeld in verband met lichamelijke en psychische klachten. In het kader van een aanvraag op 15 september 2009 tot het ontvangen van een uitkering op grond van de Wet WIA heeft het Uwv onderzocht of appellant hiervoor in aanmerking zou kunnen komen.

1.3. De verzekeringsarts heeft daartoe op 4 november 2009 een onderzoek verricht. Hij heeft het dossier bestudeerd en appellant op zijn spreekuur gezien. Vervolgens heeft de verzekeringsarts onder meer vastgesteld dat appellant een gedeprimeerde stemming kent. Appellant is gebaat bij goed voorgestructureerde kaders en eenduidige en overzichtelijke taken in spanningsarme sociale dimensies. Het geheel overziende stelt de verzekeringsarts vast dat er zich in de periode rond en/of na 25 september 2007 geen structurele veranderingen in de belastbaarheid hebben voorgedaan ten opzichte van de voorgaande WIA-beoordeling. De beperkingen van appellant zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 november 2009. Hierna heeft de arbeidsdeskundige in een rapportage van 25 november 2009 het verlies aan verdienvermogen van appellant berekend en vastgesteld op 10,79%, hetgeen een arbeidsongeschiktheidsklasse oplevert van minder dan 35%.

1.4. Bij besluit van 26 november 2009 heeft het Uwv geweigerd appellant een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen, omdat appellant per 22 september 2009 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.5. In verband met het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2009 heeft de bezwaarverzekeringsarts een onderzoek verricht. Hij heeft het dossier bestudeerd, informatie ingewonnen bij onder meer de behandelend psychiater en psycholoog van appellant en aandacht besteed aan rapportages van specialisten die appellant voorheen hadden behandeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens de hoorzitting op 26 maart 2010 bijgewoond en medische informatie van bedrijfsarts en huisarts van appellant bij zijn beoordeling betrokken. Zoals blijkt uit zijn rapportage van 11 mei 2010 is ook hij tot de conclusie gekomen dat het medische beeld dat van appellant naar voren komt in de loop van de tijd niet wezenlijk is veranderd. Hij stelt evenwel vast dat er geen afweging is gemaakt ten aanzien van gevolgen die zijn ontstaan door de gevolgde procedures om in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een aantal punten uit het klachtenpatroon van appellant lijkt te zijn verergerd als uiting van toename van psychische ziekte na de voorgaande WIA-beoordeling, zij het dan voornamelijk door omstandigheden. In het licht van zijn bevindingen is de belastbaarheid van appellant op een (beperkt) aantal items in de rubrieken 1 en 2 aangepast en vastgelegd in de FML van 11 mei 2010. Aan de hand van de gewijzigde FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige onderzocht of de aan appellant voorgehouden functies binnen zijn belastbaarheid blijven. Hij is vervolgens tot de conclusie gekomen dat de primair geduide functies productiemedewerker (sbc-code 111180), magazijn, expeditiemedewerker (sbc-code 111220) en inpakker (sbc-code 111190) geschikt zijn voor appellant. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat er geen arbeidskundige argumenten zijn om af te wijken van het standpunt dat appellant voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt beschouwd.

1.6. Bij beslissing op bezwaar van 1 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 26 november 2009 gehandhaafd.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, geoordeeld dat de medische grondslag van het bestreden besluit deugdelijk is en dat de wijze waarop de arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden en het eindresultaat daarvan in overeenstemming zijn met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de anderszins daaraan te stellen eisen. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd heeft aangegeven dat het opleidingsniveau van appellant niet te hoog is vastgesteld. Naar aanleiding van de beroepsgrond dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende zou beheersen om de functie “soldering technician” (productiemedewerker) te kunnen uitoefenen heeft de rechtbank overwogen dat de Raad in zijn uitspraak van 3 februari 2010 (09/126 en 09/217 WIA) met betrekking tot onder meer deze functie heeft vastgesteld, dat de functie geen bijzondere eisen stelt aan de beheersing van de Nederlandse taal.

3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn beperkingen niet dan wel onvoldoende zijn verwerkt in de FML en dat ten onrechte geen urenbeperking is opgenomen. Voorts is hij van mening dat hij niet geschikt kan worden geacht om de geduide functies, in het bijzonder de functie “soldering technician”, te vervullen. Ten slotte heeft appellant de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest en dat het Uwv de beperkingen van appellant niet heeft onderschat. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank op dit punt en maakt deze tot de zijne. De Raad ziet geen aanleiding om een deskundige in te schakelen.

4.2. De Raad kan zich eveneens verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de geduide functies aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd. Ook naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 27 mei 2010 voldoende gemotiveerd aangegeven dat de belasting van de functies de belastbaarheid van appellant voor arbeid niet overschrijdt.

Ter zitting is betoogd dat appellant als analfabeet moet worden beschouwd en mede als gevolg daarvan niet in staat is de geduide functies te vervullen. Naar het oordeel van de Raad echter kan uit de gedingstukken worden opgemaakt dat appellant in Marokko het lager-onderwijs-traject geheel heeft doorlopen. Voorts is gebleken dat hij korte tijd een cursus Nederlands heeft gevolgd, maar deze niet heeft afgerond in verband met directe werkaanvaarding. Weliswaar is appellant ontheven van de plicht tot het behalen van het inburgeringsexamen op grond van de Wet inburgering, maar het is de Raad gebleken dat de ontheffing daarvan is gegrond op de conclusie dat appellant op medische gronden niet in staat wordt geacht binnen een bepaalde periode het inburgeringsexamen te behalen.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E. Heemsbergen.

TM