Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
11-5476 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante niet ongeschikt moest worden geacht voor één van de aan haar in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5476 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 10 augustus 2011, 10/557 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.J. Bek, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

2.1. Appellante heeft zich op 27 november 2009 met terugwerkende kracht met ingang van 17 maart 2009, toen zij een werkloosheidsuitkering ontving, ziek gemeld.

2.2. Bij besluit van 8 december 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar ziekmelding niet in behandeling wordt genomen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.3. Op 30 december 2009 meldt appellante zich wederom ziek. Bij besluit van 16 februari 2010 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij met ingang van 30 december 2009 geen recht heeft op ziekengeld. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellante niet ongeschikt wordt geacht voor de functies die in 2009, in het kader van een beoordeling van appellantes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), aan haar zijn voorgehouden.

2.4. Bij besluit van 15 april 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 8 december 2009 en 16 februari 2010, onder verwijzing naar het rapport van 12 april 2010 van de bezwaarverzekeringsarts M. Achterberg, ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover betrekking hebbend op de ziekmelding per 17 maart 2009 en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op de ziekmelding per 17 maart 2009 geheel in stand blijven. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar beperkingen per 30 december 2009, ten opzichte van de beperkingen die eerder in 2009 ten tijde van haar WIA-beoordeling waren vastgesteld, zijn toegenomen. Door haar toegenomen klachten en bijbehorende beperkingen acht appellante zich niet in staat de in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies te verrichten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante in hoger beroep nadere medische informatie overgelegd. Tot slot vindt appellante het vreemd dat zij in het kader van de Ziektewet in staat wordt geacht arbeid te verrichten terwijl zij in het kader van de Werkloosheidswet, wegens medische redenen, is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Ter zitting van de Raad is door appellante de omvang van het onderhavige geding beperkt tot de ongegrond verklaring door de rechtbank van het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op de ziekmelding per

30 december 2009.

5.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste rechtspraak van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de Wet WIA.

5.3. De Raad staat daarom voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 30 december 2009 niet ongeschikt moest worden geacht voor één van de aan haar in het kader van de WIA-beoordeling voorgehouden functies.

5.4. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bij een beroep tegen een weigering van de ZW-uitkering gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in de onderhavige zaak sprake. De Raad wijst hier op de rapportages van de artsen van het Uwv waaruit blijkt dat zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts een onderzoek heeft ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellante. De bezwaarverzekeringsarts had daarbij de beschikking over informatie vanuit de behandelend sector en heeft deze informatie ook meegewogen in de beoordeling. De in hoger beroep door appellante overgelegde nadere medische informatie werpt geen ander licht op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding. Uitgaande van deze gezondheidstoestand en de daarbij behorende beperkingen is de Raad van oordeel dat appellante per 30 december 2009 in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten.

5.5. Appellantes stelling dat zij vanwege haar gezondheidklachten in het kader van de WW geen sollicitatieverplichtingen heeft leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst betreft het in het onderhavige geval een ander wettelijk kader en voorts is niet duidelijk gemaakt op welke wijze en op basis van welke medisch objectieve gegevens het advies om appellante een vrijstelling te verlenen tot stand is gekomen.

6. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) K.E. Haan.

TM