Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0127

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
11-3045 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Definitieve vaststelling afkoopsom. De beroepsgronden van appellant over de berekening van de afkoopsom slagen niet. De rechtbank heeft in haar uitspraak - ten onrechte - geen beslissing genomen over het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Vernietiging aangevallen uitspraak in zoverre. De Raad bepaalt dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 11/3045 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 april 2011, 07/457 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

Datum uitspraak: 22 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2012. Appellant is, zoals door hem bericht, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.H. Sijben en G. de Groot.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen is de bevoegdheid van premieheffing en -inning sociale verzekeringen overgeheveld van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) naar de Belastingdienst. In dat kader is afgesproken dat in de periode tussen 1 juli 2005 en 1 januari 2007 800 Uwv-medewerkers overgaan naar de Belastingdienst. De bonden en de bestuurders van het Uwv en de Belastingdienst hebben betreffende die overgang op 4 februari 2005 een convenant gesloten, dat op 8 september 2006 door de convenantsluitende partijen is aangevuld. Eén van de uitgangspunten van het convenant is dat eventuele negatieve effecten van de inschaling op het moment van overgang worden vergolden met een afkoopsom. De uitbetaling van die afkoopsom zou geschieden bij de eerste salarisbetaling door de Belastingdienst.

1.2. Appellant is met ingang van 1 januari 2006 in dienst getreden bij de Belastingdienst, aangesteld als ambtenaar in algemene dienst van het Rijk en tewerkgesteld bij de [naam eenheid].

1.3. Bij de salarisbetaling in januari 2006 is aan appellant een afkoopsom uitbetaald van € 5.591,30 bruto. In een begeleidende brief van 23 januari 2006 is meegedeeld dat bij de berekening van de afkoopsom nog geen rekening is gehouden met de CAO Rijk, dat de afkoopsom opnieuw zal worden berekend zodra die CAO is getekend en dat de herberekening uit een nabetaling of terugvordering kan bestaan.

1.4. Na vaststelling van de CAO Rijk en de CAO van het Uwv is bij besluit van 8 juni 2006 de afkoopsom van appellant definitief vastgesteld op een bedrag van € 5.564,40 bruto en is van appellant een bedrag van € 26,90 bruto teruggevorderd.

1.5. Appellant heeft bij brief van 9 juli 2006, bij de staatssecretaris ingekomen op 11 juli 2006, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juni 2006. Bij besluit van 27 maart 2007 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft bij een op 7 mei 2007 bij de rechtbank ingekomen beroepschrift beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In zijn reactie op het verweerschrift van de staatssecretaris heeft appellant verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

5. In hoger beroep heeft appellant de in beroep aangevoerde beroepsgronden herhaald. Hij stelt dat bij de berekening van de afkoopsom moet worden uitgegaan van de eindejaarsuitkering op grond van de CAO Rijk zonder de verhoging van € 550,- naar € 1.110,- die is bedoeld als compensatie voor ziektekosten. Voorts dient bij de berekening van het nettoloon op 1 januari 2006 het bruto salaris op basis van de nieuwe CAO Rijk niet te worden verminderd met de oude inhoudingen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP), maar met de daarbij behorende nieuwe inhoudingen. Tot slot is de rechtbank volgens appellant ten onrechte volledig voorbijgegaan aan zijn verzoek om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

6. Over de berekening van de afkoopsom overweegt de Raad het volgende.

6.1. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 juli 2010, LJN BN3517 met juistheid overwogen dat het convenant en de aanvulling daarop bepalend zijn voor de vaststelling van de afkoopsom. Aangezien in het convenant is neergelegd dat zowel de procentuele als de nominale eindejaarsuitkering wordt betrokken bij de berekening van de afkoopsom, is er geen ruimte om een deel van die uitkering niet mee te nemen, ook niet indien dat deel zou zijn bedoeld als compensatie voor de stijging van ziektekosten.

6.2. In het convenant is verder bepaald dat het werknemersdeel van de pensioenpremie bij de berekening van de afkoopsom wordt betrokken. De grondslag voor de berekening van de pensioenpremie is op grond van artikel 4.2 van het pensioenreglement Stichting Pensioenfonds ABP (pensioenreglement) het pensioengevend inkomen verminderd met de franchise. Voor de berekening van het pensioengevend inkomen in enig jaar gaat het ABP op grond van artikel 3.2, eerste lid, van het pensioenreglement uit van het vaste salaris en de vaste toeslagen op de peildatum 1 januari. Een aanpassing van het pensioengevend inkomen vindt uitsluitend plaats wanneer een tot het ABP gerichte rechterlijke uitspraak daartoe verplicht of wanneer een feitelijk of formeel op de peildatum vaststaand inkomen door de werkgever foutief is aangeleverd. Gelet op deze bepalingen kunnen eventuele verhogingen van de pensioengrondslag na 1 januari 2006 niet worden meegenomen. Voor de vaststelling van de afkoopsom brengt dit mee dat het niet mogelijk is om bij de berekening van het nettosalaris bij de Belastingdienst per 1 januari 2006 rekening te houden met hogere pensioenpremies dan in overeenstemming met het pensioenreglement dienden te worden ingehouden. Dit heeft er overigens ook toe geleid dat appellant feitelijk van de Belastingdienst per 1 januari 2006 een nettosalaris ontving dat was gebaseerd op de op de peildatum 1 januari 2006 vastgestelde pensioengrondslag.

6.3. Uit 6.2 en 6.3 volgt dat de beroepsgronden van appellant over de berekening van de afkoopsom niet slagen.

7.1. Appellant heeft de rechtbank verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het gaat hier om een wezenlijke beroepsgrond, waarover de rechtbank in haar uitspraak - ten onrechte - geen beslissing heeft genomen. De aangevallen uitspraak komt daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad beoordelen of de redelijke termijn was overschreden ten tijde van de aangevallen uitspraak.

7.2. Voor de wijze van beoordeling van een geval als hier aan de orde verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 30 juni 2009, LJN BJ2790. De rechtbank diende een oordeel over de gestelde overschrijding te geven, waarbij de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt, en de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. Evenals in het in zijn uitspraak van 22 juli 2010, LJN BN3517, aan de orde zijnde geval acht de Raad verlenging van de behandelingsduur in bezwaar met een termijn van twee maanden ook in dit geval gerechtvaardigd. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift tot aan de datum van de aangevallen uitspraak zijn vier jaar en ruim tien maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar acht maanden geduurd. De rechterlijke fase duurde drie jaar en elf maanden. Voor die lange duur van de procedure kan geen rechtvaardiging worden gevonden in de opstelling van betrokkene of in de complexiteit van de zaak. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden.

7.3. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet worden beslist over het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

8. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek om vergoeding van schade;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 12/1563 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden ( de Minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

- bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 224,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H.A.A.G. Vermeulen en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C. Nijholt.

HD