Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0106

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
08-5797 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning vergoeding medische kosten. In een nieuwe beslissing op bezwaar heeft de korpsbeheerder zich alsnog op het standpunt gesteld dat appellant in aanmerking komt voor een vergoeding waarvan de hoogte overeenkomt met de kosten die appellant zou hebben gemaakt als de operatie in Nederland zou hebben plaatsgevonden. Met deze beslissing is het in de tussenuitspraak (LJN BP1542) vermelde motiveringsgebrek van het bestreden besluit hersteld. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging bestreden besluit. Beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/113
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5797 AW

11/1562 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 21 augustus 2008, 07/7481 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 15 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 30 december 2010 een tussenuitspraak, LJN BP1542, gedaan (hierna: tussenuitspraak).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de korpsbeheerder op 24 februari 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen ter vervanging van zijn besluit van 13 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit).

Appellant heeft schriftelijk zijn zienswijze over deze nieuwe beslissing gegeven.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Van belang is hier met name dat in de tussenuitspraak is overwogen dat de omstandigheid dat er wellicht geen medische noodzaak bestond om de operatie juist in München te laten uitvoeren nog niet wil zeggen dat er in de gegeven omstandigheden geen aanleiding bestond om appellant althans een vergoeding toe te kennen die overeenkomt met die van de kosten die hij zou hebben gemaakt als hij de operatie in een Nederlands ziekenhuis had laten uitvoeren. Op de vraag waarom een vergoeding in deze zin niet is toegekend, kon vanwege de korpsbeheerder (ook) ter zitting geen (bevredigend) antwoord worden gegeven.

1.2. In zijn besluit van 24 februari 2011 heeft de korpsbeheerder zich alsnog op het standpunt gesteld dat appellant in aanmerking komt voor een vergoeding waarvan de hoogte overeenkomt met de kosten die appellant zou hebben gemaakt als de operatie in Nederland zou hebben plaatsgevonden. De korpsbeheerder heeft op basis van gegevens, verkregen van een zorgverzekeraar, overwogen dat deze kosten in totaal € 9.155,35 zouden hebben bedragen. De korpsbeheerder heeft appellant echter op grond van goed werkgeverschap al 50% vergoed van de door hem opgegeven kosten van de operatie in Duitsland, inclusief reis- en verblijfkosten van zijn partner. Deze vergoeding bedroeg € 13.842,14. Dit is ruimschoots meer dan waarop appellant volgens de gewijzigde motivering aanspraak zou kunnen maken. Dit gaf de korpsbeheerder reden de eerder toegekende vergoeding te handhaven. De korpsbeheerder heeft appellant tevens een vergoeding toegekend voor de kosten die deze in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt.

1.3. Het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 24 februari 2011.

1.4. Appellant heeft in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat (ook) de motivering van het besluit van 24 februari 2011, met inbegrip van de daarin opgenomen kostenberekening, onjuist zou zijn. Met dit nieuwe besluit is het in de tussenuitspraak vermelde motiveringsgebrek van het bestreden besluit dan ook hersteld. Dit laatste besluit moet worden vernietigd evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit ten onrechte in stand is gelaten.

2. Het beroep tegen het besluit van 24 februari 2011 wordt ongegrond verklaard.

3. De Raad ziet grond om de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 13 augustus 2007;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 24 februari 2011 ongegrond;

Veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van totaal € 966,-;

Bepaalt dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 359,- wordt vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2012.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD