Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
11-5592 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het medisch onderzoek door het Uwv is voldoende zorgvuldig geweest. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant geschikt was om zijn arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5592 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 31 augustus 2011, 10/1277 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 28 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Heek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

2.1. Appellant heeft zich op 1 november 2009, vanuit zijn arbeid als draadbewerker, ziekgemeld met zowel psychische als lichamelijke klachten.

2.2. Bij besluit van 28 september 2010 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 4 oktober 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat appellant niet meer ongeschikt wordt geacht voor zijn arbeid als draadbewerker. Dit standpunt berust op de bevindingen van verzekeringsarts A.A.J.B.M. Kurvers, welke staan beschreven in zijn rapportage van 21 september 2010.

2.3. Het tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij besluit van 1 november 2010 (bestreden besluit), onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts M. Achterberg van 29 oktober 2010, ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2010 ongegrond verklaard. Omtrent de maatstaf arbeid heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, geoordeeld dat het Uwv de functie draadbewerker tot 7 mm terecht als “zijn arbeid” heeft aangemerkt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant dit werk heeft verricht in de periode van 28 april 2009 tot 1 november 2009, op welke dag appellant zich heeft ziekgemeld. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv uit medisch oogpunt bezien zorgvuldig is verricht. De rechtbank heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts Achterberg en de door haar getrokken conclusie dat appellant per 4 oktober 2010 niet (meer) arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft dan ook terecht besloten dat appellant met ingang van deze datum geen recht (meer) had op ziekengeld.

4. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het Uwv van een onjuiste maatstaf arbeid is uitgegaan. De juiste maatstaf arbeid is volgens appellant de draadbewerker van alle voorkomende diktes draad. Voorts is het Uwv voorbij gegaan aan de ernst van zijn duizeligheidsklachten welke veroorzaakt worden door de ziekte van Menière. Appellant blijft dan ook van oordeel dat hij op en na de datum in geding door zijn lichamelijke en psychische klachten niet in staat was zijn arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant in hoger beroep tevens nieuwe medische gegevens in geding gebracht. Dit betreft een rapportage van de door hem ingeschakelde verzekeringsarts W.M. van der Boog van 19 januari 2012.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Op grond van artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. In een geval als appellant wordt op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

5.2. De arbeidsdeskundige J.D. van Aalderen heeft in zijn rapportage deskundigenoordeel van 29 oktober 2009 een uitgebreide beschrijving gegeven van de werkzaamheden die appellant, voordat hij zich per 1 november 2009 ziekmeldde, als draadbewerker gedurende 40 uur per week heeft verricht bij Van Merksteijn Steel B.V.. Gelet op de inhoud van dit rapport en de overige in het dossier aanwezige gegevens waaronder de emailberichten van 8 oktober 2009 en 15 oktober 2009 heeft het Uwv, door uit te gaan van de werkzaamheden van de draadbewerker 7 mm, voor het begrip “zijn arbeid” een juiste maatstaf aangenomen.

5.3. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het medisch onderzoek door het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant medisch onderzocht en de bevindingen van de huisarts en de behandelend KNO-arts bij haar beoordeling betrokken. Voorts heeft de Raad, evenals de rechtbank, geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant op

4 oktober 2010 geschikt was om zijn arbeid te verrichten.

5.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage voldoende toegelicht waarom appellant ondanks zijn psychische- en lichamelijke klachten, waaronder die klachten die door de ziekte van Menière worden veroorzaakt, in staat moet worden geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Tijdens het psychisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zijn er psychische klachten aanwezig, maar is geen sprake van aantoonbare psychopathologie. Voorts is appellant niet onder behandeling van een psychiater, maar voert hij gesprekken met een medewerker van het maatschappelijk werk. Appellant wordt ondanks zijn psychische klachten dan ook in staat geacht zijn arbeid te verrichten. Dit geldt eveneens voor de beperkingen die appellant ondervindt vanwege zijn rechterschouder. Uitgaande van de in het rapport van de arbeidsdeskundige beschreven arbeidsbelasting, wordt appellants belastbaarheid van de schouder in zijn arbeid niet overschreden. De aanwezige longklachten worden volgens de bezwaarverzekeringsarts niet veroorzaakt door een pulmonaal ziektebeeld dat beperkingen oplevert ten aanzien van het verrichten van arbeid.

5.5. Met betrekking tot de duizeligheidsklachten, welke veroorzaakt worden door de ziekte van Menière, blijkt uit de eerder genoemde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts dat zij, mede vanwege de in de bezwaarfase in het dossier aanwezige informatie van de KNO-arts M.K.S. Hol, op de hoogte was van deze klachten en de herkomst ervan. Deze klachten zijn dan ook bij de heroverweging in bezwaar betrokken. In beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts, in haar rapport van 19 juli 2011, gereageerd op onder meer nadere informatie van KNO-arts R. van Blommenstein van

27 juni 2011. Naar aanleiding van deze informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts een nadere toelichting op haar standpunt gegeven dat appellant, ondanks zijn duizeligheids-klachten, in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts erkent dat appellant bij een heftige aanval mogelijk niet in staat zal zijn arbeid te verrichten, maar dat er geen noodzaak is appellant in de ZW te houden nu het niet gaat om continu aanwezige beperkingen. Daarnaast komen er in het werk geen gevaarlijke omstandigheden voor waardoor appellant, tijdens een aanval, in de problemen zou komen. De Raad ziet in hetgeen namens appellant in hoger beroep en ter zitting is aangevoerd geen aanleiding om deze toelichting voor onjuist te houden.

5.6. Aan het rapport van verzekeringsarts Van der Boog kan de Raad, mede gelet op de reactie van de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 6 februari 2012, niet die waarde toekennen die appellant daaraan toegekend wenst te zien. Anders dan de artsen van het Uwv heeft de verzekeringsarts appellant niet zelf onderzocht en is hij niet stellig in de beantwoording van de vraag of appellant al dan niet per de datum in geding geschikt was voor zijn arbeid.

5.7. De Raad benadrukt dat in dit geding uitsluitend ter beoordeling voorligt of appellant op 4 oktober 2010 in staat was om zijn arbeid te verrichten. Een mogelijke verslechtering van zijn medische toestand, gevolgd door een latere toekenning van een ZW-uitkering, kan bij die beoordeling geen rol spelen.

6. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) K.E. Haan.

TM