Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0076

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
09-4955 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Maatregel. Verlaging bijstand gedurende 1 maand met 100%, op de grond, samengevat, dat appellant, door zelf ontslag te nemen, tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan. Het college behoefde onder de gegeven omstandigheden geen gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4955 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juli 2009, 09/1097 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)

Datum uitspraak: 27 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Leenders, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde voor appellant gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012. Voor appellant is verschenen mr. Willering. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in augustus 2008 gaan werken bij Randstad bewaking. Volgens een rapportage van het Centrum voor werk en inkomen Amsterdam-Zuidoost (CWI) van 22 september 2008 (rapportage) heeft appellant op 20 augustus 2008 aan een medewerker van het CWI kenbaar gemaakt, eerst via een e-mail en later ook nog telefonisch, dat hij persoonlijke problemen had en op vakantie wilde gaan en dat hij in verband daarmee met zijn werk wilde stoppen. Appellant heeft met ingang van 22 augustus 2008, tijdens zijn proeftijd, ontslag genomen. Nadat zijn aanvraag voor een werkloosheidsuitkering was afgewezen, heeft hij op 22 september 2008 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.2. Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft het college aan appellant met ingang van 22 september 2008 bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Bij datzelfde besluit, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 februari 2009, heeft het college de bijstand van appellant gedurende 1 maand met 100% verlaagd, op de grond, samengevat, dat appellant, door zelf ontslag te nemen, tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond voor de voorziening in het bestaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college met een lagere maatregel had moeten volstaan. In dat verband heeft hij erop gewezen dat hij zijn baan had opgezegd om een familielid bij te staan bij ziekte en dat hij geen andere keus had.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de toepasselijke wet- en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, is uitsluitend in geschil of het college, gelet op de persoonlijke omstandigheden van appellant, gebruik had moeten maken van zijn in artikel 3, tweede lid, van de Verordening afstemming gemeente Diemen neergelegde bevoegdheid om de opgelegde maatregel te matigen (matigingsbevoegdheid).

4.2. Volgens de rapportage heeft de CWI-medewerker, nadat appellant kenbaar had gemaakt dat hij op vakantie wilde gaan en om die reden wilde stoppen met zijn werk, appellant geadviseerd om contact op te nemen met het Uwv om toestemming te vragen voor vakantie. Voorts heeft de CWI-medewerker op dat moment met appellant afgesproken dat appellant binnen een week contact met het CWI zou opnemen voor de laatste stand van zaken. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft appellant verklaard dat hij zijn Canadese vrouw voor zijn en haar eigen bestwil naar Canada terug heeft gebracht. Dit omdat zij psychisch ziek was, haar medicijnen niet wilde slikken en haar gedrag onaanvaardbaar werd.

4.3. Reeds gelet op de tegenstrijdige verklaringen die appellant heeft gegeven voor zijn ontslagname, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij in augustus 2008 geen andere keus had dan zelf ontslag te nemen. Nog afgezien daarvan heeft appellant hetgeen hij tijdens de hoorzitting heeft verklaard niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Hier komt bij dat appellant geen gevolg heeft gegeven aan het op 20 augustus 2008 gegeven advies en ook de op die datum gemaakte afspraak niet is nagekomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt daartoe niet in staat te zijn geweest alvorens ontslag te nemen.

4.4. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 behoefde het college onder de gegeven omstandigheden geen gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid.

4.5. Op grond van het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD