Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
10-2488 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een langdurigheidstoeslag. De WAO-uitkering van appellante overschreed de bijstandsnorm zodat niet is voldaan aan de voorwaarde dat appellante een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm. Het inkomen van appellante vormt voor het toch toekennen van de langdurigheidstoeslag een beletsel, aangezien anders dan appellante stelt, in haar geval geen sprake is van slechts een zeer geringe overschrijding van de bijstandsnorm met enkele euro's, maar van een substantiële overschrijding daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2488 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 april 2010, 08/2787 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 27 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.C. Schouten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schouten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Op 11 juli 2008 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Bij besluit van 22 juli 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 september 2008 (bestreden besluit), heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB neergelegde voorwaarde dat gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen is ontvangen dat niet hoger is dan de bijstandsnorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Haar WAO-uitkering bedroeg tot 1 juli 2007

€ 865,80 netto per maand en vanaf die datum, door een wettelijke verhoging met 5%, € 880,64 netto per maand. Zij is er dus slechts € 14,84 per maand op vooruit gegaan. Afgezet tegen de langdurigheidstoeslag ter hoogte van € 336,-- is appellante er op jaarbasis per saldo € 154,40 netto op achteruit gegaan. Het college had in haar geval de gevraagde langdurigheidstoeslag moeten toekennen, omdat sprake is van slechts een zeer geringe overschrijding van de bijstandsnorm, appellante al bijna twintig jaar een inkomen heeft ter hoogte van het sociaal minimum en zij ten gevolge van haar slechte gezondheid veel kosten moet maken die niet worden vergoed. Het feit dat appellante een WAO-uitkering ontvangt ter hoogte van het sociaal minimum heeft tot gevolg dat zij in een financieel slechtere positie is gekomen dan een persoon die een bijstandsuitkering geniet.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB (tekst tot 1 januari 2009), voor zover hier van belang, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van 23 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar die:

a. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft.

4.2. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 36 van de WWB blijkt dat de langdurigheidstoeslag is bedoeld als een inkomensondersteuning voor personen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau en die een grote afstand hebben tot de arbeidsmarkt.

4.3. Voor de beantwoording van de vraag hoe hoog het inkomen van appellante in de referteperiode is geweest, dient als regel te worden uitgegaan van het netto-inkomen inclusief eventuele vakantietoeslag zoals dat feitelijk in die periode is ontvangen (zie hiervoor de uitspraak van 4 juli 2006, LJN AY0262). In dit geval bestaat geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken.

4.4. Vaststaat dat het jaar 2007 binnen de referteperiode valt. Uit de door appellante overgelegde uitkeringsspecificaties blijkt dat haar WAO-uitkering, inclusief vakantietoeslag, vanaf januari 2007 niet € 865,80 netto per maand bedroeg, zoals appellante stelt, maar € 880,64, en vanaf juli 2007 niet € 880,64, maar € 917,53. De voor appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm bedroeg met ingang van 1 januari 2007 € 865,80 per maand en met ingang van 1 juli 2007 € 872,34 per maand. Dit betekent dat de WAO-uitkering van appellante vanaf januari 2007 de bijstandsnorm maandelijks met € 14,84 overschreed en vanaf juli 2007 met € 45,19, zodat niet is voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB gestelde voorwaarde.

4.5. In een aantal gevallen, waarin het inkomen van betrokkene de van toepassing zijnde bijstandsnorm hooguit met enkele euro's overschreed, heeft de Raad, kort samengevat, geoordeeld dat, gelet op de bedoeling van de wetgever, het inkomen van de betrokkenen geen beletsel vormt voor toekenning van de langdurigheidstoeslag (zie de uitspraken van

19 augustus 2008, LJN BE8918, 30 maart 2010, LJN BL9744, en 15 februari 2011, LJN BP5532). Het inkomen van appellante vormt daarvoor wel een beletsel, aangezien anders dan appellante stelt, in haar geval geen sprake is van slechts een zeer geringe overschrijding van de bijstandsnorm met enkele euro's, maar van een substantiële overschrijding daarvan. Hier doet niet aan af dat appellante, naar zij stelt, al bijna twintig jaar een inkomen heeft ter hoogte van het sociaal minimum en ten gevolge van haar slechte gezondheid veel kosten moet maken.

4.6. Evenals in de uitspraak van de Raad van 25 januari 2011, LJN BP2635, gaat ook hier de vergelijking die appellante maakt tussen haar geval en dat van een persoon die een bijstandsuitkering ontvangt reeds daarom niet op, omdat appellante, vanwege de door haar ontvangen WAO-uitkering, ten tijde van belang een inkomen had dat hoger is dan de voor haar geldende bijstandsnorm en dus geen inkomen op minimumniveau heeft in de zin van artikel 36, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.7. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD