Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0062

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
10-7052 BBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. De hoogte van het in het bestreden besluit genoemde bedrag is juist. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 40 van het Bbz 2004 is in dit geval voldaan, aangezien appellant, ook na daartoe ten minste twee keer te zijn aangemaand, niet heeft voldaan aan de rente- en aflossingsverplichtingen uit hoofde van de hem verstrekte geldleningen. Het college was gehouden het in het terugvorderingsbesluit genoemde bedrag van appellant terug te vorderen. Geen sprake van een dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/7052 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 november 2010, 08/3383 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

Datum uitspraak: 27 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Mr. A.C. Vingerling, advocaat, die namens appellant de gronden van het hoger beroep had ingediend, heeft zich teruggetrokken, waarna mr. M. Deij, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde voor appellant heeft gesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Deij. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 14 februari 2002 heeft het college aan appellant op grond van de Algemene bijstandswet en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) met ingang van 1 maart 2002 voor de duur van zes maanden bijstand voor levensonderhoud in de vorm van een renteloze geldlening toegekend in afwachting van de definitieve vaststelling van de bijstand na afloop van het boekjaar. Bij besluit van dezelfde datum heeft het college aan appellant bedrijfskapitaal in de vorm van een rentedragende geldlening tot een bedrag van € 10.300,-- toegekend (geldlening 1). Bij besluit van

13 december 2002 heeft het college een aanvullend bedrijfskrediet van € 9.800,-- verstrekt (geldlening 2). Bij besluit van 31 december 2002 heeft het college de periodieke uitkering voor levensonderhoud op dezelfde voet voortgezet voor de periode van 1 september 2003 tot 1 maart 2003.

1.2. Bij brief van 17 december 2002 heeft het college appellant, samengevat, het volgende meegedeeld. Aangezien hij pas in december 2002 zal starten met zijn bedrijf, wordt de betaling van de eerste aflossing op geldlening 2 gesteld op juni 2003. Wat betreft geldlening 1 wordt uitstel van de aflossingsverplichting verleend over de periode van augustus 2002 tot en met mei 2003 en vangt de aflossing eveneens aan per juni 2003. Vanaf 1 januari 2003 dient appellant zich stipt te houden aan gestelde rente- en aflossingsverplichtingen. Vanaf juni 2003 dient appellant in totaal € 431,36 aan rente en aflossing te betalen.

1.3. Bij besluit van 14 november 2003 heeft het college de over de periode van 1 maart 2002 tot en met 31 december 2002 verleende bijstand voor levensonderhoud van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 8.213,22 op de grond dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting de jaarrekening over 2002 en het inlichtingenformulier toe te zenden. Bij besluit van 8 december 2004 heeft het college de over de maand januari 2003 verleende bijstand voor levensonderhoud van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 888,70 op de grond dat hij niet heeft voldaan aan de verplichting administratiegegevens over 2003 en het inlichtingenformulier toe te zenden. Appellant heeft tegen beide besluiten geen bezwaar gemaakt.

1.4. Bij brief van 4 december 2007, voor zover van belang, heeft het college appellant aangemaand de betalingsachterstanden over de geldleningen 1 en 2 van respectievelijk 48 en 54 termijnen ten bedrage van respectievelijk € 11.611,20 en € 10.230,84 vóór 1 januari 2008 te voldoen. Bij brief van 13 december 2007 heeft appellant laten weten niet op de aanmaningsbrief te zullen ingaan en dat zijn advocaat inhoudelijk zal reageren. Bij brief van 25 februari 2008, voor zover van belang, heeft het college appellant aangemaand de betalingsachterstanden over de geldleningen 1 en 2 van respectievelijk 50 en 56 termijnen ten bedrage van respectievelijk € 12.095,-- en € 10.609,76 vóór 8 maart 2008 te voldoen. Bij brief van 4 maart 2008, voor zover van belang, heeft appellant laten weten dat hij de hoogte van de vordering, de rente en de bijkomende posten betwist. Bij brief van 13 mei 2008 heeft het college appellant medegedeeld dat hij voor de derde en laatste maal wordt aangemaand om de betalingsachterstanden over de geldleningen 1 en 2 te voldoen. Hierbij is vermeld dat het saldo van de twee leningen per 1 mei 2008, inclusief de verschuldigde rente, € 26.532,01 bedraagt. Appellant dient dit bedrag vóór 30 mei 2008 te voldoen. Appellant heeft deze brief retour gezonden.

1.5. Bij besluit van 11 juni 2008 (terugvorderingsbesluit) heeft het college het saldo van de bij de besluiten van 14 februari 2002 en 13 december 2002 toegekende geldleningen 1 en 2 en de achterstallige rente met toepassing van artikel 40 van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 26.634,16, de verschuldigde rente van € 6.534,16 hierbij inbegrepen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de gestelde rente- en aflossingsverplichtingen en evenmin aan de aanmaningen van 4 december 2007, 25 februari 2008 en 13 mei 2008. Bij hetzelfde besluit is appellant meegedeeld dat hij ook nog twee andere schulden aan het college heeft van € 8.213,22 en € 888,70, waarbij wordt verwezen naar de daarop betrekking hebbende besluiten. Appellant wordt verzocht het totaalbedrag van € 35.736,08 vóór 1 juli 2008 te voldoen.

1.6. Bij besluit van 10 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het terugvorderingsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd. Tevens heeft hij verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van - immateriële - schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft ter zitting van de Raad te kennen gegeven nadere stukken te willen indienen, te weten een e-mail van 15 mei 2011 en een lijst met medische klachten die hij heeft. In aanmerking genomen het zeer late stadium van de procedure waarin appellant dat wil doen, terwijl niet is gebleken dat de nadere stukken niet eerder hadden kunnen worden ingebracht, zijn deze wegens strijd met de goede procesorde niet aan het dossier toegevoegd.

4.2. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank zijn verzoek om aanhouding van de zitting van 5 oktober 2010 ten onrechte heeft afgewezen. Volgens appellant is dit in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor dat in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is neergelegd.

4.2.1. Artikel 16, vijfde lid, van de Procesregeling bestuursrecht 2008 (procesregeling) bepaalt, voor zover van belang, dat de rechtbank partijen bij de eerste uitnodiging voor de zitting in de gelegenheid stelt om gedurende een week na verzending van die uitnodiging of oproeping wegens verhindering om een andere datum te verzoeken en dat de rechtbank in dat geval een verzoek om verdaging steeds inwilligt. Ingevolge het zesde lid willigt de rechtbank een verdagingsverzoek dat niet is gedaan binnen een week na verzending van de uitnodiging slechts in, indien daarom zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd is verzocht en bovendien sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.

4.2.2. De uitnodigingen voor de zitting van 5 oktober 2010 zijn op 15 september 2010 verstuurd aan het college en aan de toenmalige gemachtigde van appellant, mr. Vingerling. In deze uitnodigingen zijn partijen gewezen op hetgeen in artikel 16, vijfde en zesde lid, van procesregeling is bepaald. Mr. Vingerling heeft pas bij faxbericht van 1 oktober 2010 verzocht om een nieuwe datum te bepalen voor de mondelinge behandeling van het beroep van appellant “vanwege de nog altijd kwakkelende gezondheid van cliënt, cliënt is nog immer niet hersteld van zijn hartoperatie.” Reeds omdat dit verzoek pas vier dagen voor de zitting is ingediend en de genoemde reden daarvoor niet is aan te merken als een uitzonderlijke omstandigheid in de zin van artikel 16, zesde lid, van de procesregeling, heeft de rechtbank het verdagingsverzoek van appellant in overeenstemming met de procesregeling afgewezen. Hierbij kan er bovendien niet aan voorbij worden gezien dat mr. Vingerling de gemachtigde van appellant was en appellant in die hoedanigheid ter zitting van de rechtbank had kunnen vertegenwoordigen. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt echter dat mr. Vingerling, met voorafgaand bericht, niet op de zitting van 5 oktober 2010 is verschenen.

4.2.3. Uit hetgeen is overwogen in 4.2.2 volgt dat de onder 4.2 geformuleerde beroepsgrond geen doel treft.

4.3. Appellant betwist voorts de hoogte van het in het bestreden besluit genoemde bedrag van € 35.736,08. Hij heeft er daarbij op gewezen dat dit bedrag niet overeenkomt met de jaaropgaven van het Bureau Zelfstandigen sinds 2009, waarop is vermeld dat de hoofdsom € 20.100,-- bedraagt. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat het college een te groot bedrag van hem heeft teruggevorderd, slaagt het niet. Immers, artikel 40 van het Bbz 2004, zoals dit luidde ten tijde hier van belang, biedt ook een grondslag voor de terugvordering van de achterstallige rente. Wat er verder ook zij van de jaaropgaven waaraan appellant refereert, uit het terugvorderingsbesluit blijkt in ieder geval duidelijk dat bij dat besluit, naast de geldleningen 1 en 2 van in totaal € 20.100,--, ook de verschuldigde rente van € 6.534,16 wordt teruggevorderd. Het bedrag van € 35.736,08 omvat voorts de reeds eerder teruggevorderde leenbijstand tot bedragen van € 8.213,22 en € 888,70.

4.3.1. De terugvordering van deze laatste bedragen kan in dit geding niet meer aan de orde komen, nu de desbetreffende terugvorderingsbesluiten van 14 november 2003 en 8 december 2004 in rechte onaantastbaar zijn geworden. Om die reden zal de Raad het betoog van appellant dat het college de leenbijstand over de periode van maart 2002 tot en met januari 2003 ten onrechte niet heeft omgezet in bijstand om niet buiten bespreking laten.

4.4. Appellant heeft verder aangevoerd dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 40 van het Bbz 2004, omdat appellant niet kon voldoen aan de hem opgelegde rente- en aflossingsverplichtingen.

4.4.1. Artikel 40 van het Bbz 2004 luidde ten tijde hier van belang als volgt:

De zelfstandige die niet aan de rente- en aflossingsverplichtingen voldoet, wordt door het college tot betaling gemaand. Indien de zelfstandige ook na een tweede aanmaning niet voldoet, worden het geleende bedrag en de achterstallige rente, beide verhoogd met de wettelijke rente, teruggevorderd.

4.4.2. Aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 40 van het Bbz 2004 is in dit geval voldaan, aangezien appellant, ook na daartoe ten minste twee keer te zijn aangemaand, niet heeft voldaan aan de rente- en aflossingsverplichtingen uit hoofde van de hem verstrekte geldleningen. Dat appellant, naar hij stelt, niet kon voldoen aan de hem opgelegde rente- en aflossingsverplichtingen maakt dat niet anders, nog daargelaten dat hij noch na de onder 1.2 vermelde brief van 17 december 2002, noch na de onder 1.4 vermelde aanmaningsbrieven kenbaar heeft gemaakt dat hij niet aan die verplichtingen kon voldoen.

4.4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.4.1 en 4.4.2 volgt dat het college gehouden was het in het terugvorderingsbesluit genoemde bedrag van € 26.634,16 van appellant terug te vorderen.

4.5. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat in zijn geval dringende redenen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004, op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien. Hij heeft hierbij gewezen op zijn uitzichtloze - financiële - situatie en op zijn daaruit voortvloeiende psychische klachten.

4.5.1. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen - zie de uitspraak van 12 mei 2009, LJN BI3834 - kunnen dringende redenen als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van het Bbz 2004 slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de belanghebbende. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.

4.5.2. In het geval van appellant is van consequenties als hiervoor bedoeld niet gebleken. In het bijzonder is de stelling dat de terugvordering - uiteindelijk - heeft geleid tot psychische klachten bij appellant in het geheel niet onderbouwd. Niet gebleken is dat de uitzichtloze - financiële - situatie waarin appellant stelt te verkeren is veroorzaakt door het na bezwaar gehandhaafde terugvorderingsbesluit van 11 juni 2008. Hierbij is nog van belang dat gebleken is dat appellant inmiddels aflost op de vordering en blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.6. Uit hetgeen is overwogen in 4.2.2 tot en met 4.5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.7. Gelet op de uitkomst van dit geding is er geen ruimte voor veroordeling van het college tot schadevergoeding. Het daartoe strekkende verzoek van appellant dient daarom te worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak.

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD