Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW0055

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
09/4549 WWB + 09/5382 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Appellant heeft omtrent zijn werkzaamheden voor diverse vennootschappen en over het niet verschuldigd zijn van woonlasten niet onverwijld en uit eigen beweging de vereiste openheid van zaken gegeven. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij nog aanvullend recht op bijstand heeft over de in geding zijnde periode, reeds omdat niet toereikend aan de hand van objectieve verifieerbare gegevens inzicht is verstrekt omtrent de aard en omvang van zijn activiteiten ten behoeve van de bedrijven en de daarmee verworven of te bedingen verdiensten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/4549 WWB

09/5382 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 2 juli 2009, 09/524 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Kollumerland (college)

Datum uitspraak: 27 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.S.Visser, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Visser. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door O. Roolvink.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van het college sinds 13 januari 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van de melding dat appellant betrokken is bij diverse vennootschappen, heeft de Sociale Recherche Fryslân (SR) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, heeft een woningdoorzoeking plaatsgevonden bij appellant, waarbij computerbestanden in beslag zijn genomen en is appellant verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 januari 2008. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 25 april 2008 de bijstand van appellant over de periode van 13 januari 2006 tot 1 oktober 2007 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 31.870,42 bruto van hem terug te vorderen. De besluitvorming berust hierop dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn betrokkenheid bij diverse vennootschappen, waaronder [naam BV] te [vestigingsplaats], en het feit dat hij gratis woonde op het adres [adres 1] te [woonplaats].

1.3. Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 april 2008 ongegrond verklaard. Een onjuist gebleken ondertekening van het besluit van 3 februari 2009 heeft het college bij besluit van 6 mei 2009 (bestreden besluit) hersteld, welk besluit in de plaats is getreden van het besluit van 3 februari 2009.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht, voor zover van belang het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 20 maart 2007 tot 1 oktober 2007 en de terugvordering en bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van op geld waardeerbare werkzaamheden die hij in ieder geval voor [naam BV] in de periode van 13 januari 2006 tot 20 maart 2007 heeft verricht. Gedurende die periode heeft appellant geen woonlasten betaald voor de van [naam BV] gehuurde woning, zodat [naam BV] in feite voor de voor haar verrichte werkzaamheden loon in natura in de vorm van feitelijk woongenot heeft verschaft. Appellant heeft geen feiten gesteld en waar nodig aannemelijk gemaakt, waaruit kan worden afgeleid dat aan hem, als hij zijn inlichtingenverplichting wel was nagekomen, (aanvullend) bijstand zou moeten worden verstrekt. Voor wat betreft de periode van 20 maart 2007 tot 1 oktober 2007 is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant ook in die periode op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht.

2.2. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 16 september 2009 het bezwaar gegrond verklaard, naar de Raad heeft begrepen, voor zover het betreft de intrekking over de periode van 20 maart 2007 tot 1 oktober 2007 en de terugvordering. Over de periode van 13 januari 2006 tot 20 maart 2007 vordert het college € 21.832,41 bruto van appellant terug.

2.3. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling moet worden betrokken.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2. Appellant heeft omtrent zijn werkzaamheden voor diverse vennootschappen en over het niet verschuldigd zijn van woonlasten voor het adres [adres 1] in [woonplaats] niet onverwijld en uit eigen beweging de vereiste openheid van zaken gegeven. Anders dan appellant betoogt is uit de gedingstukken niet gebleken dat hierover concreet telefonisch contact is geweest met zijn klantmanager [I.]. Dit kan in ieder geval niet uit het door appellant in hoger beroep overgelegde overzicht van telefoongesprekken worden afgeleid. Eén en ander laat overigens onverlet de verplichting van appellant om periodiek de zogeheten rechtmatigheidsonderzoeksformulieren volledig in te vullen, te ondertekenen en in te dienen bij de gemeente. Op deze verplichting is appellant nog ondubbelzinnig gewezen in de toekenningsbeslissing van 3 maart 2006.

Appellant heeft overigens in de bezwaar- en beroepsfase erkend dat hij de inlichtingenverplichting niet volledig is nagekomen door geen melding te maken van zijn activiteiten en het feit dat hij geen woonlasten hoefde te betalen.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond. Blijkens een ten behoeve van het verkrijgen van bijstand opgesteld huurcontract zou de huur voor de woning [adres 1] te [woonplaats] € 450,-- per maand bedragen. Ter zitting is voorts, schattenderwijs, aangegeven dat de overige vaste woonlasten ongeveer € 200,-- per maand beliepen. Appellant heeft hiermee echter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij nog aanvullend recht op bijstand heeft over de in geding zijnde periode, reeds omdat niet toereikend aan de hand van objectieve verifieerbare gegevens inzicht is verstrekt omtrent de aard en omvang van zijn activiteiten ten behoeve van de onder 1.2 bedoelde bedrijven en de daarmee verworven of te bedingen verdiensten.

4.4. Gelet op het voorgaande moet dan ook worden geconcludeerd dat appellant niet heeft voldaan aan de wettelijke inlichtingenverplichting en dat als gevolg hiervan niet kan worden vastgesteld of appellant ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het college was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd over te gaan tot intrekking van de bijstand over de periode van 13 januari 2006 tot 20 maart 2007. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Appellant heeft geen afzonderlijke gronden tegen de terugvordering aangevoerd, zodat deze verder buiten bespreking blijft.

4.5. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep tegen het besluit van

16 september 2009 ongegrond is.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 september 2009 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R.L.G. Boot.

HD