Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9955

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10-1925 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Ingangsdatum. Vaststaat dat werkneemster zich op 21 april 2006 heeft ziekgemeld en dat appellante daarvan op de hoogte was. Dat deze ziekmelding volgens appellante op oneigenlijke grond is geschied, doet aan deze vaststelling niet af. Indien appellante deze ziekmelding betwist, had het op haar weg gelegen actie te ondernemen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van gebrekkig is dan wel dat de daarin gegeven beoordeling over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het doorlopen van de wettelijke wachttijd onjuist is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/1925 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 februari 2010, 09/149 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. van de Vrugt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft [naam werkneemster] (de werkneemster) meegedeeld niet als partij aan het geding te willen deelnemen en geen toestemming te verlenen haar medische gegevens aan appellante ter kennisneming te brengen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 5 februari 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor de werkneemster geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan omdat zij met ingang van 18 april 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. Bij besluit van 17 november 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen het besluit van 5 februari 2008 door de werkneemster gemaakte bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat voor de werkneemster met ingang van

18 april 2008 op grond van artikel 54 van de Wet WIA recht is ontstaan op een WGA-uitkering.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor de conclusie dat de eerste ziektedag van de werkneemster niet gelegen was op 21 april 2006. tevens heeft het Uwv terecht en op goede gronden geoordeeld dat de wachttijd van 104 weken op 18 april 2008 was verstreken en dat de werkneemster aanspraak kon maken op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

3.1. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bedoeld in 2 bestreden. Naar haar mening dient de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen en haar beroep alsnog gegrond te verklaren.

3.2. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat door de ziekmelding van de werkneemster zelf op 21 april 2006 ook vaststaat dat sprake is van arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte of gebrek. Volgens appellante is sprake van een oneigenlijke ziekmelding van de werkneemster.

3.3. Appellante heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat appellante pas op de hoogte is geraakt van de ziekmelding op het moment dat het besluit over de WIA-uitkering werd ontvangen.

3.4. Appellante heeft ook aangevoerd dat de rechtbank onjuiste conclusies heeft getrokken uit de door appellante naar voren gebrachte feiten en omstandigheden met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster.

3.5. Ten slotte heeft appellante betoogd dat de rechtbank ten onrechte het betoog van appellante heeft verworpen dat nader medisch onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster had moeten worden gedaan.

4.1. De Raad overweegt - gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op de grondslag van de in 3.2 tot en 3.5 samengevat weergegeven gronden in hoger beroep - als volgt.

4.2. Bij brief van 6 mei 2006 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat de werkneemster met ingang van 21 april 2006 een Ziektewetuitkering heeft aangevraagd. Ook is op 9 mei 2006 namens appellante door PKF Wallast, accountants te Rotterdam, doorgegeven dat de werkneemster zich per 21 april 2006 heeft ziekgemeld. Daarmee staat vast dat de werkneemster zich op 21 april 2006 heeft ziekgemeld en dat appellante daarvan op de hoogte was. Dat deze ziekmelding volgens appellante op oneigenlijke grond is geschied, doet aan deze vaststelling niet af.

4.3. Indien appellante deze ziekmelding betwist, had het op haar weg gelegen actie te ondernemen. Appellante had het Uwv kunnen verzoeken om een versnelde controle of een deskundigenonderzoek. Gesteld noch gebleken is dat appellante zich daartoe tot het Uwv heeft gericht. Tevens is van belang dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het hiervoor in 1.1 vermelde besluit, waaruit appellante toch had kunnen begrijpen dat sprake was van een ziekmelding van de werkneemster, het ontbreken van een herstelmelding en het - op 18 april 2008 - doorlopen hebben van de wettelijke wachttijd.

4.4. Betreffende de hiervoor in 3.4 geformuleerde beroepsgrond onderschrijft de Raad wat de rechtbank daarover in (de laatste alinea van bladzijde 2 en eerste alinea van bladzijde 3) van de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Deze beroepsgrond is dus tevergeefs voorgedragen.

4.5. De beroepsgrond als vermeld in 3.5 treft evenmin doel. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11 juni 2008 komt naar voren dat de werkneemster zich op 21 april 2006 heeft ziekgemeld met psychische klachten, in verband waarmee zij in 2007 is behandeld door een psycholoog. Verder is de werkneemster onderzocht door een verzekeringsarts en een bezwaarverzekeringsarts. Het door de bezwaarverzekeringsarts opgemaakte rapport van 11 juni 2008 is zorgvuldig tot stand gekomen, bevat geen inconsistenties en is concludent, zodat daaraan bijzondere waarde toekomt, in die zin dat het Uwv zijn besluit omtrent arbeidsongeschiktheid van de werkneemster op dit rapport mocht baseren. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 11 juni 2008 gebrekkig is dan wel dat de daarin gegeven beoordeling over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en het doorlopen van de wettelijke wachttijd onjuist is.

4.6. Gelet op hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.R. Baas.

TM