Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10-6202 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Uit de in de bezwaarfase opgemaakte rapportage door de bezwaarverzekeringsarts op basis van eigen onderzoek blijkt dat er geen noodzaak is voor het aannemen van meer beperkingen dan bij de WAO-beoordeling in 2004. Daarmee is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen reden is om verdergaande beperkingen aan te nemen. Vernietiging aangevallen uitspraak. Er is in dit geval aanleiding af te wijken van de hoofdregel dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd. Met inachtneming van de in de FML genoemde beperkingen is betrokkene terecht in staat geacht om ten minste één van de geduide functies te vervullen. De medische gronden die betrokkene daartegen heeft aangevoerd, leiden niet tot een ander oordeel. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6202 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 5 oktober 2010, 08/398 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 21 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B. van Dijk, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. D. de Jong. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk.

I. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 8 november 2004 is de eerder aan betrokkene toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) verhoogd naar de klasse van 25 tot 35%. Daarnaast is aan betrokkene een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend.

1.2. Vanuit die situatie heeft betrokkene zich op 20 december 2006 ziek gemeld wegens toegenomen lichamelijke klachten als gevolg van spanningen. Op basis van medisch onderzoek dat is vastgelegd in een rapportage heeft appellant bij besluit van 6 maart 2008 vastgesteld dat betrokkene met ingang van 17 maart 2008 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

1.3. Bij besluit van 17 april 2008 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene, onder verwijzing naar een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 16 april 2008, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de door betrokkene overgelegde medische stukken, alsmede de rapportage van de door de rechtbank benoemde deskundige huisarts B. Tent, voldoende aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts van appellant. Gelet daarop heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek onvoldoende inzichtelijk is. De rechtbank heeft dan ook het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts zorgvuldig is geweest en dat er onvoldoende aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan de beperkingen die eerder zijn vastgesteld in het kader van de in 2004 gedane WAO-beoordeling. Volgens appellant bestaat er reden om af te wijken van de hoofdregel, inhoudende dat het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige dient te worden gevolgd, in welk verband wordt verwezen naar de aanvullende rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 8 december 2010.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Gelet hierop is appellant van een juiste maatstaf arbeid uitgegaan.

4.2. Naar aanleiding van de conclusie van de rechtbank dat er twijfel bestaat aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts met betrekking tot de medische beperkingen van betrokkene en dat uit de gedingstukken niet of onvoldoende valt af te leiden van welke beperkingen de primaire verzekeringsarts (en daarmee ook de bezwaarverzekeringsarts) is uitgegaan nu zich onder de stukken geen rapportage van de primaire verzekeringsarts bevindt, geldt dat, zover de primaire verzekeringsarts op de medische kaart zijn bevindingen onvoldoende zou hebben gemotiveerd uit de in de bezwaarfase opgemaakte rapportage van 16 april 2008 door de bezwaarverzekeringsarts op basis van eigen onderzoek blijkt dat er geen noodzaak is voor het aannemen van meer beperkingen dan bij de WAO-beoordeling in 2004. Daarmee is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen reden is om verdergaande beperkingen aan te nemen. Reeds om die reden kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven.

4.3. Met betrekking tot de medische beoordeling wordt door de Raad volgens vaste rechtspraak het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geboden. Daar is in dit geval aanleiding voor. Met betrekking tot de medische beperkingen van betrokkene, zoals opgenomen in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

3 november 2004 (die aan de laatste WAO-beoordeling ten grondslag heeft gelegen) geeft de deskundige aan dat hij ten aanzien van de rubrieken 4 (dynamische handelingen) en 5 (statische houdingen) als huisarts onvoldoende expertise heeft. Met betrekking tot een mogelijke urenbeperking heeft de deskundige geen zelfstandig oordeel gevormd, maar heeft hij volstaan met een verwijzing naar een beschrijving door de bedrijfsarts. Naar aanleiding van het commentaar door de bezwaarverzekeringsarts op deze rapportage heeft geen zorgvuldige medische heroverweging door de deskundige plaatsgevonden. In zijn reactie van 11 januari 2010 geeft hij aan dat hij zijn advies heeft gegeven op basis van zijn ervaring als huisarts en dat hij als huisarts deskundige onvoldoende op de hoogte is van de exacte jurisprudentie anno 2009/2010 met betrekking tot de uitleg van het criterium in de ZW dat sprake moet zijn van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte. Gelet op de inhoud van diens rapportage en de aanvullende reactie van de deskundige komt aan die rapportage niet de betekenis toe die de rechtbank daaraan heeft toegekend. Gelet op de opleiding, deskundigheid en ervaring behoort het tot de specifieke taak van de (bezwaar)verzekeringsartsen om de medische beperkingen vast te stellen en de gevolgen daarvan aan te geven voor de maatstaf arbeid. Om die reden komt in dit geval, waar de door de rechtbank ingeschakelde deskundige aangeeft op diverse onderdelen niet over deskundigheid te beschikken, aan de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv doorslaggevende betekenis toe. In die rapportages is inzichtelijk en overtuigend aangegeven dat betrokkene met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat moet worden geacht zijn arbeid te verrichten. Daaruit blijkt dat er geen aanleiding is om meer of zwaardere beperkingen aan te nemen in vergelijking met de FML van 3 november 2004. De beperkingen van de schouder zijn niet veranderd en er was geen aanleiding meer om op het psychisch vlak beperkingen te formuleren, terwijl ook de pancreatitis daarvoor geen aanleiding gaf. Met inachtneming van de in de FML genoemde beperkingen is betrokkene terecht in staat geacht om ten minste één van de functies machinaal metaalbehandelaar, coupeuze of productiemedewerker textiel te vervullen. De medische gronden die betrokkene daartegen heeft aangevoerd, leiden niet tot een ander oordeel.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4 3 is overwogen, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) N.S.A. El Hana.

GdJ