Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10-5783 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling ZW-uitkering. Terugvordering. Een dringende reden kan slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen van de terugvordering voor betrokkene. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat de medische en financiële situatie van appellante geen dringende reden oplevert op grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5783 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 24 september 2010, 09/1648 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Namens appellante is mr. Boon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 26 augustus 2005 een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend. Ten gevolge van een interne terugboeking bij het Uwv is het ziekengeld aan appellante abusievelijk dubbel uitbetaald. Bij besluit van 14 oktober 2008 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat het ziekengeld over de periode van 19 september 2005 tot 2 januari 2006 ten bedrage van bruto € 334,82 ten onrechte is uitbetaald en dat dit bedrag wordt teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 14 oktober 2008 is aan appellante meegedeeld dat het ziekengeld over de periode van

19 september 2005 tot 1 januari 2007 ten bedrage van bruto € 1.735,64 ten onrechte is uitbetaald en dat dit bedrag wordt teruggevorderd. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat de genoemde bedragen onverschuldigd zijn betaald.

1.2. Bij besluit van 9 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van

14 oktober 2008 in zoverre gegrond verklaard dat op het eerstgenoemde bedrag € 11,03 en op het tweede bedrag € 105,34 in mindering mag worden gebracht omdat de loonheffing buiten de invordering wordt gesteld, nu appellante niet in de gelegenheid is gesteld om het teveel betaalde terug te betalen in het kalenderjaar waarin het ziekengeld is betaald. Onder verwijzing naar de rapportages van een bezwaarverzekeringsarts van 4 maart 2009 en 19 maart 2009 heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien en is het bezwaar in zoverre ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat in de periode van 19 september 2005 tot 1 januari 2007 aan appellante te veel ziekengeld is uitbetaald en dat ook de hoogte van het teruggevorderde bedrag niet wordt betwist. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de moeilijke financiële situatie van appellante geen dringende reden oplevert om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Daarbij is nog opgemerkt dat, nu de beslagvrije voet op nihil is gesteld, door het Uwv vooralsnog niet tot invordering zal worden overgegaan. Ook met betrekking tot de medische situatie van appellante heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de door appellante overgelegde (medische) informatie van haar psycholoog en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en de reacties daarop van de bezwaarverzekeringsarts, terecht geconcludeerd dat dit geen dringende reden oplevert om van terugvordering af te zien.

3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de reeds eerder door haar ingebrachte informatie van de psycholoog en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige, aangevoerd dat het Uwv ten onrechte en op onjuiste gronden heeft besloten dat er geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien. Volgens appellante is door de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen rekening gehouden met deze informatie, nu daaruit blijkt dat het reëel is dat de terugvordering voor appellante grote gevolgen zal hebben. Voorts heeft appellante in een brief uiteengezet welke verstrekkende financiële consequenties de foute uitbetaling door het Uwv voor haar heeft gehad.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Gelet op hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is uitsluitend in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv op goede gronden in de medische en financiële situatie van appellante geen dringende reden heeft gezien op grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien.

4.2. Dienaangaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, onder meer zijn uitspraak van 14 oktober 2009, LJN BK0241, kan een dringende reden slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen van de terugvordering voor betrokkene. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is

4.3. Uit de voorhanden gedingstukken blijkt dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv onderzoek heeft verricht naar de mogelijke medische implicaties van de terugvordering voor appellante, waarbij - naast dossierstudie - ook de door appellante overgelegde informatie van de psycholoog en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige is betrokken. Uit zijn rapportages blijkt dat niet kan worden gesteld dat de terugvordering voor appellante tot een negatief toekomstscenario leidt en dat de informatie evenmin wijst op een noodzaak tot een maatschappelijk beschermende behandeling. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts vermeld dat de aanwezige informatie geen ander licht werpt op de periode waarin appellante het (ten onrechte) ontvangen geld feitelijk heeft aangewend. Daarbij heeft hij het van belang geacht dat appellante zelfstandig kan functioneren en geen vrijwaring voor tegenslag behoeft, dat een heftig reactiescenario speculatief blijft en dat de terugbetaling geen verrassing is die gezien moet worden als een ernstige verandering. Wat betreft de financiële situatie van appellante is vermeld dat zij, ook na het gebruik van het ten onrechte ontvangen ziekengeld ten behoeve van een verhuizing, zich er steeds van bewust is geweest dat zij moest terugbetalen en dat dit (tot op dat moment) niet heeft geleid tot het gevreesde scenario met decompensatie. Voor appellante heeft de terugvordering in zoverre (nog) geen gevolgen dat het Uwv, rekening houdend met haar financiële situatie, de invordering op nihil heeft gesteld. Het Uwv heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de medische en financiële situatie van appellante geen dringende reden oplevert op grond waarvan van terugvordering kan worden afgezien.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) N.S.A. El Hana.

EK