Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
10/7012 TW + 10/7013 TW + 10/7014 TW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en intrekking TW-uitkering. Terugvordering. Boete. Er zijn geen dringende redenen op grond waarvan het Uwv had kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening, intrekking of terugvordering. Het oordeel van de rechtbank dat de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 in het geval van appellant op consistente wijze zijn toegepast, is juist. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. De hoogte van de opgelegde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/7012 TW

10/7013 TW

10/7014 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 november 2010, 08/2541, 08/2554 en 08/2555 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. R. Veerkamp, advocaat. Namens het Uwv is verschenen mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar overweging 2.1 van de aangevallen uitspraak. Met het volgende wordt volstaan.

2.1. Bij besluit van 23 april 2008 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Toeslagenwet (TW) over de periode van 30 november 2005 tot 23 oktober 2007 herzien en met ingang van 23 oktober 2007 ingetrokken. Bij een tweede besluit van eveneens 23 april 2008 heeft het Uwv de volgens hem aan appellant onverschuldigd betaalde TW-uitkering over de periode van 30 november 2005 tot en met 30 april 2008 tot een bedrag van € 18.555,98 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 5 mei 2008 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 95,- wegens schending van de inlichtingenplicht.

2.2. De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren van appellant zijn bij drie afzonderlijke besluiten van 18 juli 2008 (bestreden besluiten) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat vaststaat dat appellant een te hoog bedrag aan uitkering op grond van de TW heeft ontvangen. Gelet hierop was het Uwv gehouden tot herziening en intrekking van de uitkering over te gaan. Met betrekking tot de terugwerkende kracht van de herziening en de intrekking heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (Beleidsregels) in het geval van appellant consistent heeft toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant met een te late melding van werkzaamheden zijn inlichtingenplicht geschonden en had het hem vanaf 1 januari 2006 redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij als gevolg van een fout van het Uwv teveel TW-uitkering ontving. De rechtbank is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan het Uwv had kunnen afzien van terugvordering of van het opleggen van de boete.

4. Appellant heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat hij vanaf 30 november 2005 werkzaam was via een re-integratiebureau dat door het Uwv was ingeschakeld. Appellant ging er daarom van uit dat het Uwv op de hoogte was van zijn werkzaamheden. Van schending van de inlichtingenplicht is volgens appellant dan ook geen sprake. Daarnaast is appellant van mening dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij een te hoog bedrag aan TW-uitkering ontving, aangezien hij in de periode van 2002 tot begin 2007 onder bewind stond. De uitkering werd aan de bewindvoerder betaald en appellant kreeg van de bewindvoerder alleen ‘zakgeld’, waarvan de hoogte niet veranderde. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat zijn slechte financiële situatie een dringende reden is om af te zien van herziening, intrekking en terugvordering.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2. Voor de in dit geding van toepassing zijnde wet- en regelgeving wordt verwezen naar overweging 2.4 van de aangevallen uitspraak.

5.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant over de periode van 30 november 2005 tot 23 oktober 2007 een te hoge TW-uitkering heeft ontvangen en vanaf 23 oktober 2007 ten onrechte TW-uitkering heeft ontvangen. Over de periode van

30 november 2005 tot 1 januari 2006 heeft appellant een te hoge TW-uitkering ontvangen omdat appellant niet direct aan het Uwv heeft gemeld dat hij vanaf 30 november 2005 inkomsten uit arbeid had. Met ingang van 1 januari 2006 heeft appellant teveel TW-uitkering ontvangen wegens een fout van het Uwv.

5.3.2. Op grond van artikel 11a, eerste lid, van de TW was het Uwv verplicht de TW-uitkering vanaf 30 november 2005 te herzien en vanaf 23 oktober 2007 in te trekken. Op grond van artikel 20, eerste lid, van de TW was het Uwv gehouden tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering.

5.3.3. Er zijn geen dringende redenen op grond waarvan het Uwv had kunnen besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van herziening, intrekking of terugvordering. Van dringende redenen in de zin van de artikelen 11a, tweede lid en 20, vierde lid, van de TW is slechts sprake indien door de herziening, de intrekking of de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties voor de betrokkene optreden. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Met de slechte financiële situatie van appellant heeft het Uwv in het kader van de invordering rekening gehouden bij het vaststellen van de aflossingscapaciteit, die tijdelijk op nihil is gesteld. De stelling van appellant dat het hem in verband met zijn onderbewindstelling niet redelijkerwijs duidelijk was dat hij teveel TW-uitkering ontving, ziet op het ontstaan van de terugvordering en kan daarom niet als een dringende reden worden aangemerkt.

5.3.4. De onder 3 genoemde Beleidsregels laten zien dat het Uwv ook in gevallen waarin dringende redenen in de zin van de wet niet aanwezig zijn, afziet van intrekking of herziening met terugwerkende kracht indien het de verzekerde niet redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt. De Beleidsregels van het Uwv dienen te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. De rechtbank heeft terecht de aanwezigheid en de toepassing daarvan als een gegeven aanvaard en getoetst of de Beleidsregels op consistente wijze zijn toegepast.

5.3.5. Het oordeel van de rechtbank dat de Beleidsregels in het geval van appellant op consistente wijze zijn toegepast, is juist. Verwezen wordt naar de in overweging 2.6 van de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen. Daaraan wordt toegevoegd dat het feit dat appellant met ingang van 30 november 2005 werkzaam was via een re-integratiebureau dat door het Uwv was ingeschakeld, hem niet ontsloeg van de verplichting om zelf onverwijld aan het Uwv te melden dat hij werkzaamheden was gaan verrichten. Door dit pas op 26 januari 2006 te doen, heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. De beroepsgrond van appellant dat het hem niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel toeslag ontving omdat hij onder bewind stond en daardoor geen inzicht had in zijn financiële zaken, slaagt niet. Het had de bewindvoerder, gelet op de hoogte van de toeslag vanaf 1 januari 2006, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat appellant teveel TW-uitkering ontving. Nalatigheid van de bewindvoerder om het Uwv tijdig op de hoogte te brengen van voor de TW-uitkering relevante gegevens komt voor rekening van appellant. Na de opheffing van de onderbewindstelling had het appellant, gelet op de hoogte van de betaalde toeslag en de inkomsten uit arbeid, redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hem teveel en later, toen zijn partner betaalde arbeid ging verrichten, ten onrechte TW-uitkering werd verstrekt.

5.3.6. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. De omstandigheid dat het Uwv onverschuldigd TW-uitkering aan appellant heeft betaald, maakt niet dat appellant erop mocht vertrouwen dat inkomsten uit arbeid niet van invloed zouden zijn op zijn recht op uitkering. Daarover zijn door het Uwv aan appellant geen rechtens relevante mededelingen gedaan.

6.1. Voor de wijze van toetsing van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van

11 maart 2009, LJN BH7780 en van 27 mei 2010, LJN BM5914. Het Uwv heeft appellant een boete opgelegd omdat hij het Uwv niet tijdig heeft gemeld dat zijn echtgenote met ingang van 23 oktober 2007 inkomsten uit arbeid had. Hierdoor heeft appellant vanaf 23 oktober 2007 ten onrechte een TW-uitkering ontvangen. Van deze overtreding valt appellant niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt te maken. Appellant wist dan wel had moeten weten dat hij het Uwv direct moest meedelen dat zijn echtgenote inkomsten uit arbeid had. Bij de aanvraag voor een TW-uitkering heeft ook de echtgenote van appellant een aanvraagformulier ingevuld en ondertekend. In dit formulier wordt de aanvrager erop gewezen dat een verandering in de leefsituatie of het inkomen direct aan het Uwv moet worden gemeld. Daarbij is vermeld dat als dit niet gebeurt, het Uwv een maatregel of een boete kan opleggen. Ook met het besluit van 3 december 2004 waarbij aan appellant een TW-uitkering is toegekend, is hij erop geattendeerd dat een wijziging in het inkomen van de partner direct moet worden doorgegeven aan het Uwv. Dat appellant wist dat hij een inlichtingenverplichting had, blijkt uit het feit dat hij met een wijzigingsformulier op 29 februari 2008 alsnog aan het Uwv heeft gemeld dat zijn echtgenote inkomsten uit arbeid had.

6.2. Het Uwv heeft de boete wegens verminderde verwijtbaarheid verlaagd met 50% omdat appellant uit eigen beweging, voordat het Uwv de overtreding had geconstateerd, heeft gemeld dat zijn echtgenote inkomsten uit arbeid ontving. De door appellant aangevoerde omstandigheden, te weten zijn psychische problematiek en zijn slechte financiële situatie, geven geen aanleiding om het boetebedrag verder te matigen. Appellant was vanaf juni 2007 niet meer in behandeling voor zijn psychische klachten en ook de bewindvoering was op 23 oktober 2007 al geruime tijd opgeheven. Ter zitting is komen vast te staan dat appellant de boete heeft voldaan voordat de invordering in verband met het ontbreken van aflossingscapaciteit tijdelijk op nihil werd gesteld. De hoogte van de opgelegde boete acht de Raad evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van appellant.

7. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 maart 2012.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) H.L. Schoor.

JL