Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10-4003 suwi
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering appellante te registreren als werkzoekende. Op appellante is artikel 1 van Vo 1612/68 niet van toepassing omdat voor haar als Bulgaars onderdaan een tewerkstellingsvergunning is vereist. Gezien de doelstelling van de eis van een tewerkstellingsvergunning voor Bulgaarse onderdanen, te weten (tijdelijke) bescherming en regulering van de arbeidsmarkt en het in de Memorie van Toelichting bij de Wet SUWI geformuleerde doel van registratie als werkzoekende, namelijk dienstverlening op maat waarvan actieve arbeidsbemiddeling een belangrijk onderdeel is, kan de weigering tot registratie ingevolge de Wet SUWI in dit geval niet als disproportioneel worden aangemerkt. Het betoog dat sprake is ongeoorloofde discriminatie kan niet slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2012/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4003 SUWI

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 3 juni 2010, 09/2371 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 16 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H. Kruseman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2012. Appellante heeft zich daarbij laten bijstaan door

mr. Kruseman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.M. van den Boogaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft de Bulgaarse nationaliteit en is in 2007 naar Nederland gekomen om bij haar dochter en diens Nederlandse echtgenoot te verblijven. Zij heeft op 20 juli 2007 een verblijfskaart voor onderdanen van de Europese Unie gekregen geldig tot 20 maart 2012. Op deze verblijfskaart is vermeld: “Gemeenschapsonderdaan. Economisch niet-actief. Arbeid toegestaan. TWV alleen gedurende de eerste 12 maanden vereist. Beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht.” Ten tijde in geding woonde appellante niet meer bij haar dochter. Appellante heeft onder meer op 2 maart 2009 het Uwv WERKbedrijf verzocht haar te registreren als werkzoekende.

1.2. Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het Uwv geweigerd appellante te registreren als werkzoekende omdat zij geen geldige verblijfsvergunning over kon leggen, vereist volgens artikel 25, eerste lid, sub c, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI).

1.3. Bij besluit van 3 april 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van

2 maart 2009 met verbetering van de motivering ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hiertoe overwogen dat het recht op registratie als werkzoekende door het Uwv alleen toekomt aan de limitatief opgesomde categorieën personen vermeld in (sedert 1 januari 2009) artikel 30b, eerste lid, van de Wet SUWI juncto artikel 3.1 van het Besluit SUWI. Appellante voldoet namelijk niet aan het criterium van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet SUWI omdat zij als Bulgaars onderdaan gedurende de eerste twaalf maanden een tewerkstellingsvergunning nodig heeft. Daarom komt zij niet in aanmerking voor inschrijving als werkzoekende. Het Uwv heeft daarbij nog gewezen op het voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt inzake het vrij verkeer van werknemers ten aanzien van de toegang van Bulgaarse onderdanen tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Van ongeoorloofde discriminatie op grond van nationaliteit is volgens het Uwv geen sprake.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat voor appellante weliswaar een tewerkstellingsvergunning vereist is, maar dat deze tijdelijke beperking op het vrij verkeer van werknemers op grond van Bijlage VI van de Toetredingsakte van Bulgarije tot de Europese Unie (EU) niet ziet op de bemiddeling bij het zoeken naar werk. De weigering tot inschrijving als werkzoekende gaat verder dan voor de bescherming van de arbeidsmarkt noodzakelijk is en moet daardoor als disproportioneel worden aangemerkt. Voorts maakt het Uwv door appellante niet in te schrijven als werkzoekende een ongeoorloofd onderscheid tussen verschillende EU-burgers die in Nederland rechtmatig verblijf hebben, werkzoekende zijn en een band hebben met de Nederlandse arbeidsmarkt. In dit verband heeft appellante erop gewezen dat zij al langere tijd in Nederland verblijft en een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangt.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.1.1. Ingevolge het eerste lid van artikel 30b van de Wet SUWI registreert het Uwv op diens verzoek als werkzoekende:

a. Nederlanders;

b. vreemdelingen op wie artikel 1 of artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 oktober 1968 betreffende het vrij verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PbEG 1968, L 257) van toepassing is;

c. vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven vergunning die is voorzien van een aantekening van Onze Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid;

d. vreemdelingen die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

4.1.2. Ingevolge artikel 12, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag), thans, na wijziging, artikel 18, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU), is binnen de werkingssfeer van het Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

4.1.3. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45, eerste lid, van het VWEU, is het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap vrij. Ingevolge het tweede lid houdt het vrij verkeer van werknemers de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en overige arbeidsvoorwaarden.

4.1.4. Ingevolge Bijlage VI, Lijst bedoeld in artikel 23 van de Toetredingsakte: Overgangsmaatregelen Bulgarije, onderdeel 1, punt 1, is wat betreft het vrij verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten dat gepaard gaat met tijdelijk verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten tussen, voor zover thans van belang, Bulgarije en Nederland, artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, slechts volledig van toepassing onder voorbehoud van de overgangsregelingen van de punten 2 tot en met 14.

4.1.5. Ingevolge punt 2, voor zover thans van belang, zullen de huidige lidstaten, in afwijking van de artikelen 1 tot en met 6 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 (thans Verordening (EU) nr. 492/2011, verder te noemen Vo 1612/68), tot het einde van het tweede jaar na de datum van toetreding van Bulgarije, nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen toepassen om de toegang van Bulgaarse onderdanen tot hun arbeidsmarkten te regelen. De huidige lidstaten mogen dergelijke maatregelen blijven toepassen tot het einde van het vijfde jaar na de datum van toetreding van Bulgarije.

4.2. Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ingevolge voormelde Bijlage VI het recht op het vrij verkeer van werknemers zoals neergelegd in artikel 39 van het EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 45 van het VWEU, tijdelijk te beperken door een tewerkstellingsvergunningplicht ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) te hanteren voor de eerste twaalf maanden. Door voortzetting van de overgangsperiode heeft Nederland de vergunningplicht ingevolge de Wav tot 1 januari 2012 gehandhaafd (Kamerstukken II 2008/2009, 29 407, nr. 98).

4.3. De Raad stelt vast, en partijen verschillen hierover ook niet van mening, dat het vereiste van een tewerkstellingsvergunning een maatregel is die de toegang van Bulgaarse onderdanen tot de arbeidsmarkt van Nederland regelt in de zin van onderdeel 1, punt 2, van Bijlage VI bij de Toetredingsakte: Overgangsmaatregelen Bulgarije en daarmee valt binnen de werkingssfeer van de overgangsregeling. De Raad verwijst in dit verband ook naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 10 februari 2011, Vicoplus e.a., C-307/09 tot en met C-309/09, (LJN BP5264 of

www.curia.europa.eu) waarin een vergelijkbare kwestie aan de orde was inzake het vrij verkeer van diensten. Onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie heeft het Hof in dat arrest tevens geoordeeld dat indien een nationale regeling gerechtvaardigd is, omdat deze binnen de werkingssfeer van de overgangsregeling valt, de vraag of die regeling verenigbaar is met de bepalingen van het primaire recht, zoals in dat arrest bepalingen inzake het vrij verkeer van diensten, niet meer aan de orde is. Overeenkomstig dit arrest is de vraag of het vereiste van een tewerkstellingsvergunning voor Bulgaarse onderdanen verenigbaar is met het vrij verkeer van werknemers, dan ook niet meer aan de orde. Van ongeoorloofde discriminatie in de zin van het tweede lid van artikel 39 van het EG-Verdrag, thans 45 van het VWEU, is daardoor ook geen sprake. Nu het Verdrag voorziet in een bijzonder discriminatieverbod ten aanzien van het vrij verkeer van werknemers kan volgens vaste rechtspraak van het Hof artikel 12, eerste alinea, van het EG-Verdrag, thans artikel 18, eerste alinea, van het VWEU geen autonome toepassing vinden (vergelijk de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juni 2010, LJN BM7746 en 20 oktober 2010, LJN BO1184).

4.4. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het Uwv heeft mogen weigeren om appellante als werkzoekende te registreren omdat zij een tewerkstellingsvergunning nodig heeft en daardoor niet valt onder de in de Wet SUWI en Besluit SUWI vallende categorieën van personen die kunnen worden ingeschreven.

4.5. Onderdeel 1, punt 2 van de Overgangsmaatregelen Bulgarije zoals genoemd in Bijlage VI bij de Toetredingsakte vormt een uitzondering op het vrij verkeer van werknemers doordat wordt uitgesloten dat de artikelen 1 tot en met 6 van Vo 1612/68 worden toegepast op Bulgaarse onderdanen (vergelijk het arrest Vicoplus, punt 26). Dit betekent dat naast de opschorting van het in artikel 1 van Vo 1612/68 vervatte non-discriminatiebeginsel ten opzichte van nationale werknemers ten aanzien van het aanvaarden en het verrichten van werk en het genieten van dezelfde voorrang ten aanzien van het aanvaarden van werk, ook het non-discriminatiebeginsel van artikel 5 is opgeschort waarin is bepaald dat door arbeidsbureaus dezelfde bijstand moet worden verleend bij het zoeken naar werk als aan eigen onderdanen.

4.6. Op appellante is artikel 1 van Vo 1612/68 niet van toepassing omdat voor haar als Bulgaars onderdaan een tewerkstellingsvergunning is vereist. Het niet registreren van appellante als werkzoekende, waardoor actieve bemiddeling bij het zoeken naar werk door het Uwv WERKbedrijf is uitgesloten, valt onder bovenbedoelde opschorting van artikel 5 van Vo 1612/68 en daarmee binnen het kader van de toe te passen maatregelen om de toegang van Bulgaarse onderdanen tot de Nederlandse arbeidsmarkt te regelen, zoals bedoeld in punt 2 van de overgangsregeling.

4.7. Gezien de doelstelling van de eis van een tewerkstellingsvergunning voor Bulgaarse onderdanen, te weten (tijdelijke) bescherming en regulering van de arbeidsmarkt en het in de Memorie van Toelichting bij de Wet SUWI (Tweede Kamer 2000-2001, 27 588, nr. 3) geformuleerde doel van registratie als werkzoekende, namelijk dienstverlening op maat waarvan actieve arbeidsbemiddeling een belangrijk onderdeel is, kan de weigering tot registratie ingevolge de Wet SUWI in dit geval niet als disproportioneel worden aangemerkt. Dat appellante reeds langere tijd rechtmatig in Nederland verblijft en een uitkering heeft ingevolge de WWB maakt dit niet anders. Nu de werking van de bepalingen inzake het vrij verkeer van werknemers ingevolge Bijlage VI mocht worden beperkt in die zin dat de artikelen 1 tot en met 6 van Vo 1612/68 niet worden toegepast op Bulgaarse onderdanen, kan overeenkomstig overweging 4.3 het betoog dat sprake is ongeoorloofde discriminatie niet slagen.

4.8. Nu op appellante artikel 1 van Vo 1612/68 niet van toepassing is en ook artikel 5 van die verordening ten aanzien van appellante is opgeschort, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het Uwv de registratie van appellante als werkzoekende op grond van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet SUWI heeft kunnen weigeren.

4.9. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter, H. Bolt en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van

H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2012.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) H.L. Schoor.

NW