Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10-1671 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging voorziening van een gesubsidieerde arbeidsplaats. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard op een niet in dat besluit neergelegde grond. Vernietiging van de aangevallen uitspraak wegens strijd met de wet. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voor appellante lopende voorziening (aantoonbaar) niet langer bijdroeg aan de arbeidsinschakeling. De rechtbank heeft verder op goede gronden geoordeeld dat niet is gebleken van rechtens te honoreren toezeggingen van de kant van het college dat de onderhavige voorziening zou worden voortgezet. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1671 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2010, 08/4584 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 20 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Zwiers, advocaat, hoger beroep ingesteld. Nadien heeft mr. J. Berkouwer, advocaat, nadere beroepsgronden ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2012. Voor appellante zijn verschenen mr. Berkouwer en

M. [T.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Çevik, A.C.M.J. Caron en J.M. Buitendijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante is vanaf 1 september 1996 werkzaam geweest in de functie van assistent peuterleidster op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Aanvankelijk was sprake van een zogenoemde Melkert-baan, naderhand van een arbeidsplaats die werd gesubsidieerd op grond van het Besluit in- en doorstroombanen van 7 december 1999, Stb. 1999, 591 (Besluit ID). In artikel 2, eerste lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (IWWB) is bepaald dat het Besluit ID met ingang van 1 januari 2004 wordt ingetrokken. In artikel 14, eerste lid, van de IWWB is bepaald dat een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het Besluit ID geldt als een voorziening in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB). Dit is thans geregeld in artikel 78d van de WWB. Het college heeft deze voorziening, in de vorm van subsidiëring van de arbeidsplaats van appellante, vanaf 1 januari 2004 voor maximaal twee jaar voortgezet. In dat kader is aan de toenmalige werkgever van appellante bericht dat appellante gedurende deze periode maximaal 40% van de overeengekomen werktijd mag besteden aan re-integratieactiviteiten. Bij brief van 11 juli 2007 heeft het college appellante meegedeeld dat de loonkostensubsidie voor maximaal één jaar is verlengd.

1.2. Bij besluit van 21 april 2008 heeft het college appellante het volgende meegedeeld: “Wij hebben een assessment laten uitvoeren naar uw capaciteiten, competenties en arbeidsmogelijkheden. Hieruit is gebleken dat u na 14 oktober 2007 in staat zou moeten zijn om regulier werk te vinden. Wij hebben bovengenoemde termijn met 1 jaar verlengd. Dit betekent voor u dat met ingang van 1 november 2008 uw traject niet langer als doelmatig wordt beschouwd. Daarom wordt het traject beëindigd.”

1.3. Bij besluit van 19 september 2008 (bestreden besluit) heeft het college, met overneming van het advies van kamer VI van de Algemene Bezwaarschriftencommissie (commissie), het bezwaar tegen het besluit van 21 april 2008 ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd op de grond dat de voorziening kan worden beëindigd omdat deze aantoonbaar niet bijdraagt aan de inschakeling in ongesubsidieerde arbeid. De belangrijkste overwegingen van de commissie zijn in de aangevallen uitspraak aangehaald.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen, samengevat, dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de voorziening van een gesubsidieerde arbeidsplaats niet langer noodzakelijk kan worden geacht voor de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 12, vierde lid, aanhef en onder a, van de verordening, zodat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten deze voorziening niet langer aan te bieden.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft in hoofdzaak aangevoerd dat door toedoen van het college gesubsidieerde arbeidsplaatsen als de onderhavige nog wel noodzakelijk zijn en dat het college te weinig rekening heeft gehouden met de individuele omstandigheden van appellante. Tevens heeft appellante een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor het in deze zaak relevante wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hier wordt volstaan met het volgende.

4.1.1. Artikel 12, eerste lid, van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Rotterdam (verordening), in werking getreden op 1 mei 2004, bepaalt dat een klant aanspraak kan maken op een voorziening, genoemd in dit hoofdstuk, voor zover deze noodzakelijk is voor zijn arbeidsinschakeling. Artikel 12, vierde lid, voor zover hier van belang, bepaalt dat het college kan besluiten een voorziening niet langer aan te bieden, als naar het oordeel van het college:

a. de voorziening niet langer noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling;

b. de voorziening niet blijkt bij te dragen aan de arbeidsinschakeling.

4.2. De Raad stelt allereerst - ambtshalve - vast dat de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond heeft verklaard op een niet in dat besluit neergelegde grond. Daarmee heeft de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak komt daarom wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal vervolgens de door het college gehanteerde grond voor de beëindiging van de voorziening beoordelen.

4.3. Gelet op de bewoordingen van artikel 12, vierde lid, aanhef en onder b, van de verordening, komt aan het college op dit punt beoordelingsvrijheid toe. Daarom moet de vraag worden beantwoord of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voor appellante lopende voorziening als bedoeld in die bepaling (aantoonbaar) niet langer bijdroeg aan de arbeidsinschakeling.

4.3.1. Het college heeft terecht in aanmerking genomen dat appellante gedurende lange tijd werkzaam is geweest op een gesubsidieerde arbeidsplaats. Het college heeft daarom een lange afbouwperiode in acht genomen, gedurende welke periode aan appellante diverse vormen van ondersteuning zijn aangeboden met het oog op uitstroom naar reguliere arbeid, waaronder sollicitatietraining en -begeleiding, Jobhunting bij de organisatie Hudson en deelname aan het traject De Weg naar Werk in het kader van de Tijdelijke stimuleringsregeling leer-/werktrajecten. Appellante heeft niet alle aangeboden vormen van ondersteuning (volledig) benut, waaronder de twee laatstgenoemde. Zij heeft zich bovendien beperkt beschikbaar gesteld voor arbeid door vast te houden aan de wens een arbeidsplaats te krijgen in de peuteropvang, ook nadat was gebleken dat zij door werkgevers in die sector niet in een reguliere arbeidsplaats werd aangenomen. Wat het laatste punt betreft heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het gemeentebestuur daarop uiteindelijk geen invloed had, ook niet in het kader van de met de werkgevers en de vakbonden over de afbouw van de ID-banen gemaakte afspraken. In dat verband wordt verwezen naar het bij de rechtbank ingediende verweerschrift.

4.3.2. In hoger beroep heeft appellante, evenals in bezwaar en beroep, aangevoerd dat het college te weinig inspanningen heeft verricht, onder meer op het punt van (om)scholing, om haar toe te leiden naar ongesubsidieerde arbeid. Gelet op wat in 4.3.1 is overwogen treft die beroepsgrond geen doel. Niet in geschil is voorts dat appellante wat betreft haar taalvaardigheid formeel voldeed aan het voor de peuteropvang vereiste niveau MT2. Daarnaast beschikte zij over een zeer ruime praktijkervaring op het gebied van de kinderopvang. Haar arbeidsplaats is over de periode van 1996 tot 1 november 2008 gesubsidieerd, hetgeen niet heeft geleid tot uitstroom naar reguliere arbeid.

4.3.3. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de hiervoor onder 4.3 geformuleerde vraag bevestigend dient te worden beantwoord. De rechtbank heeft verder op goede gronden geoordeeld dat niet is gebleken van rechtens te honoreren toezeggingen van de kant van het college dat de onderhavige voorziening na 1 november 2008 zou worden voortgezet. Om die reden hoefde het college ook niet meer in te gaan op de wens van appellante om bij wijze van aanvullende voorziening, op kosten van de gemeente, de opleiding ITTA aan de universiteit van Amsterdam te volgen.

4.4. Het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.

5. In verband met hetgeen is overwogen onder 4.2 zal het college worden veroordeeld in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 19 september 2008 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,--;

- bepaalt dat het college het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) J. de Jong.

HD