Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9848

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
11-1270 WAO-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering herziening WAO-uitkering. Het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt is niet voldoende zorgvuldig uitgevoerd. Het Uwv krijgt de opdracht het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1270 WAO-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 januari 2011, 10/851 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C.S. Grégoire, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012, waar namens appellant mr. Grégoire is verschenen en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft, nadat hij zijn werkzaamheden als loodgieter en CV-monteur op 29 augustus 1996 had gestaakt in verband met locomotore beperkingen, een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Deze wordt sinds 5 maart 2007 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

25 tot 35%.

1.2. Appellant heeft zich met een schrijven van 4 mei 2009 bij het Uwv toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Hierbij is aangegeven dat hij binnenkort wordt opgenomen in een kuuroord in Duitsland.

1.3. Bij besluit van 12 november 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering niet wordt herzien, omdat (voor zover nog relevant) de duur van de toegenomen arbeidsongeschiktheid korter was dan vier weken. Bij besluit van 5 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Daaruit vloeit voort dat de toepasselijke functionele mogelijkhedenlijst uit 2007 na de opname in het kuuroord onverminderd van kracht bleef.

3.1. In hoger beroep stelt appellant dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat alleen onderzoek hoefde te worden gedaan naar de periode van opname in het kuuroord (van 6 mei 2009 tot en met 27 mei 2009). Hij wijst erop dat al vanaf eind 2008 een wijziging in zijn functionele mogelijkheden was opgetreden. Voorts is appellant het niet eens met de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts dat hij per 27 mei 2009 weer belastbaar was voor aangepast werk.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 39a van de WAO, vindt voor zover hier van belang bij een toename van arbeidsongeschiktheid - voortkomend uit dezelfde oorzaak als die in verband waarmee de uitkering wordt genoten - herziening van de uitkering plaats zodra die toename onafgebroken vier weken heeft geduurd.

4.2. Aan de orde is de wijze van toepassing van artikel 39a van de WAO. In afwijking van de aangevallen uitspraak is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Uit het dossier volgt dat appellant voor het laatst op 14 november 2006 in het kader van de WAO door een sociaal geneeskundige van de Deutsche Rentenversicherung Westfalen persoonlijk is onderzocht. Het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek dat plaatsvond op 11 november 2009 betrof enkel dossierstudie. Ook in de bezwaarfase is appellant niet onderzocht, maar heeft de bezwaarverzekeringsarts volstaan met dossierstudie. Daar komt bij dat een eerdere datum dan 6 mei 2009 niet in aanmerking is genomen, hetgeen in het licht van de medische informatie van de Duitse artsen wel aangewezen was. De heroverweging in bezwaar is hierdoor niet toereikend geweest.

4.3. De aard van dit gebrek leent zich niet voor een andere wijze van herstel dan door het Uwv. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven het gebrek te herstellen. Daarbij geldt dat appellant (tenminste) nader medisch moet worden onderzocht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Draagt het Uwv op binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en J. Brand en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van

Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2012.

(get.) H.J. Simon.

(get.) Z. Karekezi.

JL