Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9846

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10-6434 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Het bestreden besluit kan wat de medische grondslag betreft worden gedragen door de beschouwingen en conclusie als neergelegd in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts. De in hoger beroep ingebrachte stukken bieden geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Er bestaat geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft afdoende gemotiveerd dat de belasting van drie van de geduide functies de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de FML, niet te boven gaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/6434 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 oktober 2010, 09/373 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 23 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken ingediend.

Partijen hebben vervolgens over en weer op elkaars standpunten gereageerd onder toezending van nadere (medische) stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2012. Namens appellant is mr. Van Geffen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, werkzaam als magazijnmedewerker (30 uur per week) en als freelance distributeur (uitgaande van 12 uur per week), heeft zich op 15 mei 2006 ziek gemeld met rugklachten met uitstraling in het rechterbeen. Vervolgens heeft appellant begin januari 2007 een auto-ongeluk gehad in Spanje en hij ervaart sindsdien tevens klachten van duizeligheid.

1.2. Op 19 februari 2008 heeft appellant een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend.

1.3. Blijkens zijn rapport van 3 april 2008 heeft verzekeringsarts C.M.B. Duwel appellant tijdens het spreekuur van

2 april 2008 onderzocht. Duwel stelt in zijn rapport als diagnose - kort gezegd - een status na hernia, diabetis mellitus en een posttraumatische stresstoornis (PTSS) en formuleert voor appellant beperkingen ten aanzien van de rug en in het persoonlijk en sociaal functioneren.

1.4. Na onderzoek door de arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2008 vastgesteld dat voor appellant per 12 mei 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

2.1. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek kennis genomen van het dossier en het verslag van de - in haar aanwezigheid - gehouden hoorzitting van 15 juli 2008. Koek heeft in haar rapport van 20 augustus 2008 uitputtend alle informatie van de behandelende sector besproken, waaronder ook de informatie van psychiater H.G. Henneberg en psycholoog R.M. Robbesom, de informatie van de huisarts van 3 augustus 2008 alsmede de informatie van neurochirurg B.A. Coert en revalidatiearts i.o. L.W.E. Sabelis. Op grond van de beschikbare gegevens heeft Koek de diagnose van de verzekeringsarts onderschreven en stelt als aanvullende diagnose een otitis externa. Zij komt tot de conclusie dat de bevindingen van de verzekeringsarts ten aanzien van de beperkingen en de functionele mogelijkheden van appellant kunnen worden gehandhaafd, behoudens de nachtdiensten. Een verstoring van het dagnachtritme acht Koek niet verstandig omdat er sprake is van een redelijke maar nog niet een goede instelling van de diabetis mellitus. In de door haar opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 augustus 2008 heeft zij daarom, naast de reeds door de verzekeringsarts genoteerde beperkingen in alle overige rubrieken, in rubriek 6 (werktijden) een beperking te dien aanzien opgenomen. Voor verdergaande beperkingen in de rubrieken 1, 2 en 3 (persoonlijk en sociaal functioneren en aanpassingen aan fysieke omgevingseisen) ziet Koek geen aanleiding omdat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat er sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis.

2.2. In zijn rapport van 30 september 2008 heeft bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun naar aanleiding van de FML van 20 augustus 2008 een aantal nieuwe functies geduid. Uit arbeidsdeskundige heroverweging volgt een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. In een rapport van 18 december 2008 is bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes, na overleg met Koek, nader ingegaan op bezwaren van de zijde van appellant tegen de geduide functies.

2.3. Bij beslissing op bezwaar van 19 december 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen het besluit van 29 mei 2008 gegrond verklaard en appellant met ingang van 12 mei 2008 alsnog in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde

WGA-uitkering voor de duur van 26 maanden.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover van belang - het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Daarbij heeft de rechtbank - kort samengevat - in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 20 augustus 2008 de van de behandelende sector verkregen informatie uitdrukkelijk heeft meegewogen, dat zij in de FML in voldoende mate rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellant en dat zij ook voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom er geen urenbeperking is opgenomen ondanks de door appellant ervaren energetische beperking.

3.2. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het bestreden besluit ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voldoende gemotiveerd waarom de signaleringen in de geselecteerde functies geen overschrijding van de belastbaarheid van appellant betekenen. Dat appellant beperkt is op torderende activiteiten in combinatie met tillen, maakt niet - zoals hij ter zitting heeft toegegeven - dat hij niet kan torderen in combinatie met buigen. De passendheid van de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies is naar het oordeel van de rechtbank dan ook toereikend gemotiveerd.

4. Appellant heeft in hoger beroep de in bezwaar en beroep voorgedragen gronden en argumenten grotendeels herhaald. Kort samengevat heeft hij aangevoerd dat het door de (bezwaar)verzekeringsartsen verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, dat in de FML onvoldoende beperkingen zijn geduid en dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voor hem passend zijn te achten.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. Allereerst constateert de Raad dat appellant het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ter zitting heeft ingetrokken, zodat hierop niet meer zal worden beslist.

5.2.1. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het bestreden besluit, wat de medische grondslag betreft, kan worden gedragen door de beschouwingen en conclusie als neergelegd in het rapport van bezwaarverzekeringsarts Koek van 20 augustus 2008. In dat rapport heeft Koek, zoals ook is overwogen in de aangevallen uitspraak, bij haar overwegingen tevens meegenomen de door appellant genoemde medische informatie van Henneberg, Robbesom, Coert en Sabelis. Deze informatie heeft ook (mede) geleid tot het opnemen van - samengevat - beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren, beperkingen ten aanzien van fysieke en mentale inspanningen alsmede ten aanzien van mobiliteit in de FML van 20 augustus 2008. De Raad onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak gewijde overweging 6.2 en maakt deze tot de zijne.

5.2.2. Het in hoger beroep door appellant ingebrachte rapport van verzekeringsarts W.M. van der Boog van 8 juli 2011, noch zijn nadien ingebrachte vervolgrapportage van 24 januari 2012, biedt aanknopingspunten voor een ander oordeel. In zijn rapport van 8 juli 2011 onderschrijft Van der Boog bij de beantwoording van vraag A1 de door de bezwaarverzekeringsarts gestelde diagnose. Hij spreekt vervolgens weliswaar een vermoeden uit dat appellant aan een chronische depressie leidt maar onderbouwt dit niet. Voorts laat hij na met medische feiten dan wel aan de hand van feitelijke bevindingen ten tijde van zijn huisbezoek aan appellant te onderbouwen waarom de in de FML opgenomen beperkingen ontoereikend zijn. Tegen deze achtergrond is zijn conclusie dat hij het “waarschijnlijk acht dat appellant meer beperkt is in persoonlijk en sociaal functioneren omdat er aanwijzingen zijn dat betrokkene aan een depressie leidt” onvoldoende toegelicht. Hetzelfde geldt voor zijn bevinding dat appellant in mei 2008 verdergaand beperkt is in buigen en torderen dan is genoteerd in de FML. De Raad ziet daarom geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van appellant om een deskundige te benoemen op het gebied van de psychiatrie dan wel de revalidatiegeneeskunde om nader onderzoek te verrichten naar aard en omvang van de beperkingen van appellant ten gevolge van de rugklachten en de psychische problematiek.

5.3. Aldus dient in het hierna volgende te worden uitgegaan van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling overweegt de Raad als volgt.

5.3.1. Ten aanzien van de voorgehouden functies van textielproductenmaker, huishoudelijk medewerker gebouwen en productiemedewerker industrie is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat bezwaararbeidsdeskundige Van Heun op 30 september 2008 afdoende heeft gemotiveerd dat de belasting van deze functies de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de FML van 20 augustus 2008, niet te boven gaat en schaart zich ook op dit punt volledig achter de overwegingen van de rechtbank ter zake. Het argument van appellant dat deze functies niet geschikt zijn omdat hierin steeds sprake is van “getordeerd actief” zijn terwijl hij in de FML onder 5.10 beperkt is geacht in til en torderende activiteiten kan geen doel treffen. In de bezwaararbeidskundige rapporten van 30 september 2008 en 18 december 2008 is in overleg met bezwaarverzekeringsarts Koek vastgesteld dat appellant beperkt is voor de combinatie van fors torderen met tillen van zware gewichten. Het gecombineerd torderen en tillen van lichte gewichten is geen probleem. Vervolgens zijn de geselecteerde functies ieder afzonderlijk beoordeeld en geschikt geacht voor appellant. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om deze vaststelling voor onjuist te houden. Aanleiding om de geschiktheid van deze functies in medisch opzicht in twijfel te trekken ziet de Raad dan ook niet.

5.3.2. De vraag of de functie besteller post/pakketten (auto) geschikt is en aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd omdat appellant niet beroepsmatig zou mogen autorijden, kan in het midden blijven. Bij de schatting kan ook worden volstaan met het in aanmerking nemen van de resterende drie (in 5.3.1) genoemde functies. Dit leidt niet tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.

6. Uit het onder 5.2.1 tot en met 5.3.2 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter en J. Brand en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van

Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2012.

(get.) H.J. Simon.

(get.) Z. Karekezi.

JL