Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV9797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10-6045 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag tot verlening functioneel leeftijdsontslag. De brief van 20 april 2010 moet, gezien de omstandigheden van dit geval, worden aangemerkt als een afwijzing van de aanvraag. De bij brief van 26 juli 2010 meegedeelde opschorting van de beslissing moet onder de gegeven omstandigheden worden aangemerkt als een ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend. Vernietiging aangevallen uitspraak. Indien een aanvraag wordt ingediend om functioneel leeftijdsontslag te verlenen, kan deze aanvraag niet worden afgewezen met hantering van de in artikel 87, derde lid, van het Barp genoemde weigeringsgronden. De korpsbeheerder en de rechtbank hebben dit niet onderkend. Nu evenmin een andere weigeringsgrond van toepassing is, had de korpsbeheerder de aanvraag van appellant moeten inwilligen. Vernietiging van het bestreden besluit. De Raad voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen en aan appellant eervol ontslag te verlenen. (zie ook BX6668 in verband met rectificatie)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 10/6045 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 29 september 2010, 10/907 en 10/908 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Twente (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 22 maart 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2011. Namens appellant is verschenen mr. W.J. Dammingh, advocaat. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.J. van der Vaart, advocaat, en

mr. E.I. Bruinsma-van Straten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1948, was werkzaam bij de politieregio Twente. Op 15 december 2008 heeft hij de leeftijd van 60 jaar bereikt. Met toepassing van artikel 88, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) is het in het eerste lid van dit artikel bedoelde functioneel leeftijdsontslag bij 60-jarige leeftijd op verzoek van appellant uitgesteld. Bij besluit van 26 november 2009 heeft de korpsbeheerder appellant met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld in verband met het vermoeden dat hij zich aan ernstig plichtsverzuim schuldig had gemaakt. Hierna is een disciplinair onderzoek ingesteld. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft de korpsbeheerder appellant met onmiddellijke ingang geschorst.

1.2. Bij brief van 23 maart 2010 heeft appellant bij de korpsbeheerder een aanvraag ingediend om hem met ingang van 1 mei 2010 functioneel leeftijdsontslag te verlenen. Bij brief van 20 april 2010 heeft de korpsbeheerder aan appellant meegedeeld dat vooralsnog niet aan zijn verzoek wordt voldaan. Hierbij is vermeld dat een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld in verband met de verdenking van het plegen van een strafbaar feit en dat door het Openbaar Ministerie (OM) nog geen beslissing is genomen over het al dan niet vervolgen van appellant, terwijl deze beslissing wel van belang is voor de afhandeling van het verzoek. De korpsbeheerder heeft hierbij te kennen gegeven dat het verzoek van appellant in heroverweging wordt genomen zodra de beslissing van het OM bekend is en/of bekend is of tot een disciplinair traject zal worden overgegaan. Appellant heeft tegen de brief van 20 april 2010 bezwaar gemaakt. Bij brief van 9 juli 2010 heeft appellant, onder verwijzing naar zijn bezwaarschrift, de korpsbeheerder verzocht om alsnog een besluit te nemen op zijn aanvraag. De korpsbeheerder heeft appellant naar aanleiding daarvan bij brief van 26 juli 2010 meegedeeld dat, zoals al eerder was bericht, de beslissing op zijn aanvraag is opgeschort tot de beslissing van het OM over eventuele vervolging bekend is en/of bekend is of tot een disciplinair traject zal worden overgegaan. Appellant heeft vervolgens bij brief van 30 augustus 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

1.3. Tijdens de beroepsprocedure heeft de korpsbeheerder bij brief van 10 september 2010 aan appellant het voornemen kenbaar gemaakt hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen wegens het plegen van ernstig plichtsverzuim. Vervolgens heeft de korpsbeheerder bij brief van 15 september 2010 aan appellant meegedeeld dat zijn aanvraag van 23 maart 2010 is afgewezen vanwege het voornemen hem strafontslag te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (de rechtbank) overwogen dat de brief van 15 september 2010 moet worden aangemerkt als een primair besluit, genomen naar aanleiding van de aanvraag van appellant van 23 maart 2010. De rechtbank heeft het beroep van appellant op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen dit besluit. Met partijen heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien om het beroepschrift van appellant door te zenden naar de korpsbeheerder ter behandeling als bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 15 september 2010. Met betrekking tot de inhoudelijke kant van de zaak heeft de rechtbank overwogen dat een ontslag op grond van artikel 88, derde lid, van het Barp, mede gezien de wijze van totstandkoming van de artikelen 87 en 88 van het Barp, tevens moet worden aangemerkt als een ontslag op aanvraag in de zin van artikel 87, eerste lid, van het Barp. Daarom zijn volgens de voorzieningenrechter op een ontslag op grond van artikel 88, derde lid, van het Barp de weigeringsgronden van artikel 87, derde lid, van het Barp van toepassing. De voorzieningenrechter was van oordeel dat zich in dit geval één van de weigeringsgronden van artikel 87, derde lid, van het Barp voordeed, aangezien de korpsbeheerder op 10 september 2010 aan appellant bekend heeft gemaakt te overwegen hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. De voorzieningenrechter is tot de conclusie gekomen dat het besluit van 15 september 2010 in rechte stand kan houden en heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad als volgt.

3.1.1. Op grond van artikel 88, derde lid, van het Barp vindt, na het in het tweede lid bedoelde uitstel van functioneel leeftijdsontslag, op aanvraag van de ambtenaar eervol ontslag plaats. Op grond van artikel 88, vierde lid, van het Barp wordt dit ontslag verleend met ingang van de eerste dag van een maand en wordt het ontslag niet eerder verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop de aanvraag van ontslag is ontvangen. Appellant heeft op 23 maart 2010 een aanvraag ingediend om ontslag met ingang van 1 mei 2010. De onder 1.2 vermelde mededeling van de korpsbeheerder van 20 april 2010 moet, gezien de omstandigheden van dit geval, worden aangemerkt als een afwijzing van deze aanvraag. De aanvraag strekte er immers toe dat aan appellant met ingang van 1 mei 2010 ontslag zou worden verleend en hier heeft de korpsbeheerder niet aan voldaan. Naar aanleiding van het door appellant tegen deze afwijzing gemaakte bezwaar heeft de korpsbeheerder aan appellant bij brief van 26 juli 2010 meegedeeld dat de beslissing op zijn aanvraag nog steeds is opgeschort. Deze mededeling moet onder de gegeven omstandigheden worden aangemerkt als een ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag.

3.1.2. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, aangezien zij de onder 1.3 genoemde mededeling van 15 september 2010 - ten onrechte - heeft aangemerkt als een primair besluit op de aanvraag van 23 maart 2010. De aangevallen uitspraak kan reeds om deze reden geen stand houden.

3.2. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval de weigeringsgronden van artikel 87, derde lid, van het Barp niet van toepassing zijn en dat de korpsbeheerder ten onrechte heeft geweigerd om hem met ingang van 1 mei 2010 ontslag te verlenen. De Raad volgt appellant hierin. Artikel 87 van het Barp bevat een regeling met betrekking tot de verlening van ontslag op aanvraag van de ambtenaar. In artikel 88 van het Barp is onder meer een regeling gegeven met betrekking tot de verlening van functioneel leeftijdsontslag, het uitstel hiervan op verzoek van de ambtenaar en de verlening van ontslag op aanvraag van de ambtenaar nadat een dergelijk uitstel is verleend. In artikel 88 van het Barp zijn de afwijzingsgronden die zijn vermeld in artikel 87, derde lid, van het Barp, niet opgenomen. Evenmin zijn in artikel 88 van het Barp één of meerdere artikelleden van artikel 87 van het Barp van overeenkomstige toepassing verklaard. Een en ander brengt mee dat, indien een aanvraag wordt ingediend zoals bedoeld in artikel 88, derde lid, van het Barp, deze aanvraag niet kan worden afgewezen met hantering van de in artikel 87, derde lid, van het Barp genoemde weigeringsgronden. De korpsbeheerder en de rechtbank hebben dit niet onderkend. Nu evenmin een andere weigeringsgrond van toepassing is, had de korpsbeheerder de aanvraag van appellant moeten inwilligen.

4. Uit hetgeen onder 3.1.1 tot en met 3.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd, dat het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 26 juli 2010 gegrond moet worden verklaard en dat dit besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 20 april 2010 te herroepen en aan appellant op zijn aanvraag van 23 maart 2010 op grond van artikel 88, derde lid, van het Barp eervol ontslag te verlenen met ingang van 1 mei 2010.

5. De Raad ziet tot slot aanleiding om de korpsbeheerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in bezwaar en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.748,- aan verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 juli 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 20 april 2010;

- verleent aan appellant met ingang van 1 mei 2010 eervol ontslag;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 26 juli 2010;

- veroordeelt de korpsbeheerder in de proceskosten van appellant in bezwaar en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.748,-;

- bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 224,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en H.A.A.G. Vermeulen en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2012.

(get.) NJ. Van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C. Nijholt.

HD